TERUG NAAR ARTIKEL

MIJN ERVARINGEN MET HET BUITENAARDSE

Door: John


De eerste ervaring (die ik mij kan herinneren)
Ik word wakker en kijk in een helder licht en ben een behoorlijke tijd verblind. Ik heb het gevoel alsof ik uit een diepe coma kom of dat ik tenminste behoorlijk diep heb geslapen. Ik hoor een zoemend geluid en heb het koud. Ik wil me omdraaien, maar merk dat ik me totaal niet kan bewegen en ik raak in paniek als ik merk dat ik helemaal naakt op een zeer smalle tafel lig. Ik word heel erg bang en denk: “Ik lig toch niet op een operatietafel?” Maar dan schiet mij te binnen dat ik om half acht naar bed ben gestuurd en dat ik boven het boek van Jip en Janneke in slaap moet zijn gevallen. Ik roep: “Mama”, steeds harder en harder en zet het op een huilen. Heel erg bang kijk ik om mij heen, want het enige wat ik kan bewegen is mijn hoofd en meer niet. Dan, alsof er iemand een knop omdraait, wordt het schemeriger en lijkt het alsof er wind binnen komt, maar ik kan noch een deur, noch een raam ontdekken. Ik krijg het koud, ben erg bang en huil hard.

Alsof er een deur wordt geopend, zo zie ik de wand open en dicht gaan. Ik word nog banger als ik de figuren zie die op mij af komen lopen. Eigenlijk is het meer zweven of schuifelen. Ze zijn mager en klein, maar verder durf ik niet te kijken omdat ik zo erg bang ben. Ik besluit maar om mijn ogen dicht te doen met de gedachte: “Straks doe ik ze weer open en zie ik mijn moeder of mijn vader weer voor me en dan is deze nachtmerrie voorbij”.

Ik voel mijn hart kloppen, harder en harder en ik gil hard, oorverdovend hard, want ik voel die lange, lange vingers die mij betasten. Ze houden mijn hoofd vast en ik voel een andere lange vinger die mijn oogleden uit elkaar trekt en vanzelf open ik mijn andere oog. Dan lijkt het alsof mijn hart ontploft van angst en ik gil en huil nog harder, want ik kijk diep in de ogen van een wezen dat niet van hier kan zijn. Als jochie van zeven, bijna acht, weet ik heus wel hoe mensen eruit zien, maar dit zijn in mijn ogen geen mensen. Ik schat één van hun ogen zeker een centimeter of 20 á 25, helemaal zwart en het lijkt alsof er ook nog een waslaagje overheen zit, want in hun oog zie ik mijzelf alsof ik voor een spiegel sta. Hun monden zijn klein in een aflopend spits gezicht waarvan de kin zo’n 5 cm is.

Ik moet flauw gevallen zijn, want als ik even later wakker word ben ik ergens anders en heb ik een stoffen doek om mijn middel en mijn heup doet erge pijn. Ook lig ik niet op een tafel maar zit ik op een glad bankje wat van glas lijkt te zijn, maar niet zo aanvoelt. Ik merk dat er meer kinderen in de kamer zijn. Minstens zes zie ik er (maar het kunnen er ook meer of minder zijn geweest). Aan de ene kant ben ik erg bang, maar aan de andere kant ook erg nieuwsgierig naar waar ik ben. Plotseling wordt het donker en lijkt het alsof de wand wordt geopend en je door een groot raam naar buiten kunt kijken. Een raam wat zeker 100 bij 50 meter moet zijn, misschien nog wel groter, maar ja, als kind van bijna acht jaar vond ik alles al groot wat groter was dan mezelf. Met de andere kinderen kijken we naar een ruimte vol sterren, heel mooi, maar dan slaat bij mij de angst toe en vraag ik mij af: “Is dit een droom of ben ik ergens waar ik liever niet wil zijn?”

Als ik de aarde plots onder mij zie draaien, zet ik het op een huilen samen met een meisje dat naast mij staat. Ik schat haar niet ouder dan 5 jaar en in een taal die ik niet begrijp roept ze om mama, want dat is het enige dat ik eruit kan halen. Ik weet niet wat voor taal het is, maar het is zeker geen engels. Ze is erg bang en ik ook, maar het lijkt alsof dit voor haar en voor mij de eerste ervaring is want de anderen kijken geërgerd en geïrriteerd naar ons.

Wat er toen verder nog is gebeurd, kan ik me nu nog niet herinneren, misschien dat het ooit nog eens boven komt. Deze ervaring gebeurde op mijn zevende en wat er voor die tijd gebeurde daar weet ik weinig meer van. Voor mijn gevoel ben ik misschien wel eens eerder meegenomen, maar dat kan ik mij niet herinneren. Wat ik wel weet is dat ik wel eens ergens was met een mijneer met een lange, witte baard tot op zijn borst, hij was stevig van postuur en nu ik eraan terugdenk zo rond de 1.90 meter met een kalend hoofd. Het gekke was, ik was toen niet bang en ik wist dat ik altijd terugkwam. Ik heb zo’n zeven van dergelijke ervaringen gehad en telkens was die man er ook bij. Ik herinner me dat ik altijd terug kwam met een soort plof en schoot dan weer mijn lichaam in en werd vervolgens wakker. Ik wist toen nog niet dat dat een uittreding was, ik was jonger dan zeven en ik vond dat vanaf het begin al leuk en spannend want ik mocht van die mijnheer niet zeggen dat ik met hem sprak, het was ons geheim.

Als kind was ik vreemd, alleen, eenzaam en had weinig vriendjes, maar ik had daar eigenlijk ook geen behoefte aan. Ik had mijn stille verdriet en eenzaamheid want ik verlangde naar iets wat er niet was en probeer dat maar als kind aan je ouders uit te leggen.

De dokter
Als ik wakker word lig ik gewoon in bed met mijn zwartwitte teddybeertje Barney bij me. Ik val weer in slaap en als mijn vader mij wekt, rond kwart voor acht in de morgen, lijkt het alsof ik diep geslapen heb en ik heb zware hoofdpijn. “Wat is er jongen?” vraagt mijn vader. Ik antwoord dat ik hoofdpijn heb en dat ik erg veel dorst heb, heel erge dorst. Hij roept naar mijn moeder om een glaasje water dat voor mijn idee lang duurt voor het gebracht wordt. “Wat is er schatje?” vraagt mijn moeder ik zeg: “Mama ik heb weer naar gedroomd en heb nu heel erge hoofdpijn en heel veel dorst.” Terwijl ze de deken afgooit om me uit het stapelbed te tillen zegt ze: “Is het weer eens zover, waar is je pyjamabroek?” Dan zie ik ook dat ik alleen mijn pyjamajas aan heb en de broek gewoon weg is, ik heb niets aan van onderen, zelfs mijn onderbroekje niet. Ze kijkt op het onderste gedeelte van het stapelbed (ik slaap bovenin het stapelbed), maar daar ligt het niet en ook niet onder het bed. “Hmm”, zegt ze, “ik ga vanmiddag toch naar de Ethiopië-winkel en dan neem ik wel een andere voor je mee.” Ze houdt me stevig in haar armen en kust mijn hoofd, want mijn moeder weet van mijn dromen en andere ervaringen. Ze vraagt of ik wil vertellen wat het dit keer was, maar ik zeg: “Nee mama, dat komt nog wel.”

Toen ik daarna in de kamer was om mijn brood te eten en mijn andere broers en zussen al weg waren, hoorde ik dat zij ruzie maakte met mijn vader. Ik wist dat het over mij ging want ik hoorde mijn moeder zeggen: “Hij is niet gek, dus hoeft hij daar niet heen.” Mijn vader kwam de kamer in en zei alleen: “Je gaat naar een psychiater.” Ik zei niets en keek hem alleen maar aan. Om half negen zei mijn vader: “Nou jong, het is tijd om naar school te gaan.” Mijn moeder gaf me een zakje met twee sneden brood en een liga mee, voor in de pauze. Zij keek mij het langst na en ik kon niet zien of ze een traan weg pinkte, maar aan haar reactie te zien deed ze dat wel.

Alhoewel ik mijn moeder nooit echt veel had verteld, kreeg ik altijd de indruk dat ze me toch geloofde, gelukkig. Ze wist een hoop en ze vond het in eerste instantie erg eng en ze zat er best mee. Ze heeft altijd de grootste angst gehad dat ik nooit meer terug zou komen, dat ze me meenamen de ruimte in. Bij haar vond ik bescherming voor de buitenwereld. Of het door al die ervaringen komt weet ik niet, maar ik ben toch altijd wel een bang kind geweest, als peuter, kleuter, puber en tiener. Het werd minder toen ik volwassen werd. Ik bouwde als het ware een muur om me heen die dikker en dikker werd, maar, gelukkig, de laatste jaren wat minder dik, anders zou ik dit verhaal niet schrijven. Maar soms heb ik nog wel van: tot hier en niet verder. Maar die muur is niet meer van beton, waar niemand door heen brak, en ik verwerk nu zo’n beetje de gebeurtenissen en ik kan nu ook beter met mijn helderziend- en heldervoelendheid omgaan. Helaas, helemaal ervan afsluiten kan ik niet, hoe graag ik dat ook zou willen.

Ruim drie weken later zat ik bij dokter van der Heyden, eerst gingen mijn vader en moeder naar binnen en het leek wel een dag te duren voor ze naar buiten kwamen. Toen mijn vader en moeder weer naar buiten kwamen werd ik binnen geroepen. Ik was bang en wilde niet en toen mijn moeder met mij mee wilde gaan, zei mijn vader: “Niet doen, je maakt nog een mietje van dat jong.” De dokter was een oudere man, ruim zestig schatte ik hem, hij was vriendelijk en hield me een pot met snoepjes voor, “Neem maar wat,” zei hij. Ik weet nog dat hij een leeg vel pakte en een pen of een potlood, dat staat me niet meer bij. Hij zei: “Jongen, als je niets wilt zeggen wil je dan tekenen wat je hoort, ziet of voelt?” Hij keek me aan en aaide over mijn hoofd. Ik fluisterde tegen hem: “Ik ben toch niet gek?” “Waarom denken je ouders dat?” vroeg hij. Ik zei: “Mijn moeder denkt dat niet, eerder mijn vader.” “Maar waarom?” vroeg de dokter toen. “Omdat ik veel droom en later komt dat bijna allemaal uit of helemaal uit,” antwoordde ik hem.

Als vanzelf beantwoordde ik alle vragen die hij mij stelde. Maar angstvallig vertelde ik hem niet over die laatste droom of belevenis. Het was alsof zij met mij mee konden kijken, alsof zij er waren. Al de gesprekken die ik met die dokter heb gehad, wat ik mij kan herinneren, duurden ruim een uur en vijftien minuten. Later werd het overgenomen door dokter Hoefsloot. Ik vond die man afschuwelijk en ik ben geloof ik maar drie keer bij hem geweest en toen heb ik hem gezegd dat hij zelf een psychiater nodig had en heb voorgoed de deur achter mij dicht gesmeten. Ik was een jaar of dertien toen dat gebeurde en mijn ouders waren toen gelukkig al twee jaar uit elkaar. Waarom ik niet eerder bij die dokter wegging toen mijn vader weg was weet ik nu nog niet. Hij was het die me er heen zond, niet mijn moeder. Die dokter was een enge man vond ik toen. Later zag ik hem nog wel eens en ook vroeg ik zijn zonen wel eens hoe het met hem was, want met hen heb ik nog ruim anderhalf jaar samengewerkt bij een tankstation bij mij in de buurt.

Met mijn moeder heb ik altijd een goede band gehad en niemand kon toen al tussen ons komen. Een band met mijn vader is er nooit geweest, hij was er weinig of nooit en als hij er was, dan was het altijd mijn middelste broer die zijn aandacht kreeg, want die kon als enige goed voetballen, terwijl ik vond dat mijn andere broer beter was. Voor mijn vader werd ik vanaf mijn zevende ook bang door een gebeurtenis die mijn moeder erg shockeerde en ook de reden voor haar was om haar kinderen te geloven en ze mijn vader nooit meer wilde zien. Ik weet nog dat ze daar altijd verdriet van heeft gehad tot het moment dat ze ongeneeslijk ziek werd. Ze heeft het nooit kunnen verwerken wat hij met enkele van ons had gedaan. Ik heb het zelf een plaats gegeven en wil er weinig of helemaal niet meer aan denken. Op latere leeftijd heb ik daar even last van gehad als de liefde werd bedreven. Ik was altijd bang dat ik pijn werd gedaan en dat ik de persoon met wie ik de liefde bedreef ook pijn zou doen en dat was iets wat ik absoluut niet wilde.

Ik ben vanaf zeer jonge leeftijd echt een moederskind en zonder mij te schamen durf ik te zeggen dat ik dat nog ben. Zelfs nu heb ik het gevoel dat er niemand tussen ons beiden kan komen. Voor mijn gevoel was mijn moeder de enige die me begreep en me snapte, ik hoefde niet veel te zeggen. De laatste jaren, voor haar ziekte, nam ik haar altijd mee naar het noorden waar ze vandaan kwam, en dat gevoel mis ik nog het meeste, die leuke tijd samen met haar broer.

Als ik terug denk aan die periode, zo tussen mijn achtste en dertiende, vind ik het een nare tijd, de buitenaardse ervaring, de scheiding van mijn ouders, mijn eerste ervaring die ik had met iemand die was overleden, waarvan ik dacht dat hij leefde, en de overgang van de lagere school naar de grote school. Nee, misschien vind ik dat wel het vervelendste van alles tot nu toe en denk ik daar dus ook niet zo graag meer aan terug.

Mijn bijzondere vrienden
Op de lagere school werd ik gepest omdat ik anders was dan anderen. Het boeide mij eigenlijk niet want ik had andere vrienden waar ik mee speelde, ik sprak daar een tijd mee af en altijd op de raarste plekken. Tussen mijn zevende en dertiende levensjaar wist ik niet veel over het paranormale of het hiernamaals, ik wist toen niet dat de jongens en meisjes waar ik mee speelde al dood waren. Daar kwam ik achter in de zomer van 1975. Ik was in die tijd meestal alleen buiten en dat vond ik niet erg. Dus op een keer liep ik naar een grasveldje met een bal, want mijn moeder had liever dat ik op dat grasveld ruim anderhalve kilometer van ons huis speelde, dan op straat en mijn broers voetbalden daar ook altijd, dus dacht ik dat zij daar na het zwemmen ook waren want dat deden zij wel vaker. Zij waren er niet en ik zat uit te rusten op de bal en hoorde plotseling achter mij: “Zullen we gaan overgooien?” Ik keek om en zag een jongentje en schatte hem op mijn leeftijd, maar later hoorde ik van zijn moeder dat hij toen elf jaar jong was. We gingen overgooien en volgens mij hebben wij toen ruim een uur gespeeld. Hij zei bij iedere ontmoeting na een uur: “Ik moet naar huis,” en rende dan weg, het leek net, wat later bleek, dat hij na enkele meters oploste. Op een dag had ik had weer eens afgesproken met dat vriendje. Hij zei toen dat hij daar en daar woonde en ik weet het nog goed, we hadden om half drie afgesproken, maar rond één uur verveelde ik mij want al mijn broers en zussen waren naar het zwembad of naar de stad en omdat ik niet kon zwemmen bleef ik thuis. Mijn moeder lag te slapen en uit verveling dacht ik, ik ga Henri maar ophalen, wel wat vroeger, maar misschien is hij wel thuis. Toen ik aanbelde deed een mager vrouwtje van rond de 40 open en ik zei: “Dag mevrouw, is Henri thuis? We hadden om half drie afgesproken, maar ik verveelde me, dus dacht ik, ik ga maar eerder.” Ze zei: “Kom maar even binnen dan.” Ik liep gewoon naar de woonkamer. Ik zag wel foto’s op de vensterbank en op de kast. Ze hoorde mij uit en ik zei dat ik al een paar keer met hem had gespeeld op dat en dat veldje, telkens om half drie. Toen begon ze te huilen en vertelde ze mij dat hij al bijna twee jaar dood was. Als kind van tien jaar vond je dat eng, maar wist ik veel in die tijd. Ze had niet de indruk dat ik haar in de maling wilde nemen en waarom zou ik dat doen? In de zomervakantie van 1975 ben ik drie keer bij haar langs gegaan en naar het veldje durfde ik nooit meer omdat ik bang was. Het bleek dat Henri op dat veldje was verongelukt. Ik herinner me dat ik er geschrokken op reageerde en heel erg bang ben geweest. Het bleek dat hij daar ooit van een klimrek was gevallen en zijn nek had gebroken. Ik kan mij niet herinneren dat daar ooit klimrekken hebben gestaan, maar volgens mij kwam ik daar toen ook niet. Later hoorde ik dat men alles had weggehaald vanwege een ongeluk twee jaar daarvoor. Zoals ik heb vernomen is de vrouw later verhuisd naar een plaats buiten de stad, maar ik kan me ook vergissen, doordat ik daar nooit echt naar heb gevraagd.

Ik ben om afleiding te gaan zoeken maar aan sport gaan doen. Het eerst heb ik gevoetbald, niet lang, om precies te zijn één trainingsavond en toen ik een bal voor mijn hoofd kreeg ben ik daarmee gestopt. Ik ben daarna gaan wielrennen en dat heb ik gedaan tot mijn 32e levensjaar en nooit ben ik terug geweest naar die plek, ik weet nu nog niet of het de angst was. Heel soms denk ik er wel eens aan als ik er langs rijd.

Tussen mijn tiende en veertiende jaar ontwikkelde mijn gave redelijk. Gelukkig had ik afleiding in de scheiding van mijn ouders en het feit dat ik naar het voortgezet onderwijs ging. Met knikkende knieën en heel veel angst ging ik naar school. Ik was een veel gepeste jongen die de eerst maanden vaak in elkaar werd geslagen, maar toch kreeg ik daar wel vriendjes. Ik ging altijd naast iemand zitten waarbij ik het gevoel had dat het wel klikte. Na een halfjaar vond ik het wel leuk op school en werd ik niet zo vaak meer gepest en gelukkig hield het slaan op. Om vrienden te maken en toch populair te zijn deed ik vaak gek en op school werd ik al een komiek genoemd en ik schaamde mij absoluut niet om op te treden en artiesten te imiteren waar anderen dan om moesten lachen. Zo ben ik die hele schoolperiode door gekomen en ben ik met mooie cijfers geslaagd.

Het volgende probleem diende zich echter voor mij aan, ik ging meer voor jongens voelen, terwijl ik toch een meisje had. Zij woonde bij mij in de buurt, zo’n drie minuten lopen en we zagen elkaar iedere dag. Mijn eerste ervaring met een jongen vond plaats toen ik dertien jaar oud was en dat gebeurde in de muziekschool. Die eerste keer zal ik nooit vergeten. Die jongen is later door de dood van zijn vader aan lager wal geraakt en loopt nu doelloos als een verslaafde junk rond. Ik heb geprobeerd hem ervan af te houden, maar hij wil helaas niet geholpen worden en toen heb ik maar afscheid van hem genomen en hem gezegd dat hij me altijd kon opzoeken als hij weer clean was. Wel jammer want ik kon geen betere vriend hebben dan Henk. Veel later, ruim 20 jaar, heb ik nog eens geprobeerd hem clean te krijgen, maar dat heeft me een hoop spullen in huis en veel geld gekost. Zonder drugs en alcohol was het een lieve jongen, maar eenmaal gedronken en gesnoven kwamen de agressie en zijn handen los. Door te verhuizen kwam ik definitief los van de klappen en de angsten die ik voor hem had. Maanden heb ik me schuldig gevoeld en ik vraag me nog steeds af of ik hem niet te vroeg in de steek heb gelaten. Maar soms kan je niet altijd je goede wil tonen. Ik heb geleerd dat het van twee kanten moet komen.

De tweede ervaring
Ik zal een jaar of veertien zijn geweest toen ik opnieuw de ervaring meemaakte dat ik wakker werd en ik merkte dat ik ergens anders was.

Ik val weer even in slaap maar word opnieuw wakker. Ik kijk om mij heen en de ruimte lijkt wel op een grote doucheruimte en ik merk dat ik naakt op een tafel lig en dat ik angst voel maar mijzelf wel onder controle heb. Het enige wat ik denk is: “Waar ben ik, ik ben niet thuis.” Ik heb het koud en kijk om mij heen of ik mijn kleding of pyjama kan ontdekken en ik probeer mij voor de geest te halen of ik nu in bed lig of dat ik weg ben, maar het wil mij maar niet te binnen schieten. Het is akelig koud, alsof er een raampje op een kier staat. Een kille wind blaast door de ruimte waar ik mij bevind. Ik wil van de tafel af, maar op de één of ander manier lukt het mij niet om mijn benen te bewegen. Ik raak in paniek en wil de tafelrand vastpakken om me op te trekken, maar het lijkt wel alsof die spekglad is want telkens als ik de rand vastgrijp om me op te trekken, glijden mijn handen los. Ik doe mijn handen achter mijn nek om me op die manier op te trekken, dat lukt. Ik zit rechtop en knijp in mijn benen en ik heb daarin wel gevoel, maar zodra ik van de tafel afwil, lukt dat niet. Uit het niets komt er nu rook de kamer in wat mij bedwelmt.

Ik schrik weer wakker van iets en merk dat ze mij aanraken. Schreeuwend ga ik rechtop zitten en merk dat ik onderzocht word door iets wat niet van hier komt. Ik ben heel erg bang en sla wild om me heen en roep: “Wat willen jullie toch van mij?, blijf van me af!” Boven mijn schouderblad voel ik een prikje alsof ik word geprikt door een naald. Ineens merk ik dat al mijn spieren het begeven en als een pudding zak ik in elkaar. Van angst wil ik huilen, maar ik merk dat ik zelfs dat niet kan. Ik ben tegelijk bang en nieuwsgierig en kijk hen angstig aan. Hun hoofden zijn vrij groot en van achteren gezien lijkt het alsof ze een bult op hun hoofd hebben. Ik vind hen er nu anders uitzien dan toen ik het voor de eerste keer meemaakte, toen ik een jaar of zeven was. Eén ziet er wat menselijker uit; heel blond met blauwe ogen zonder pupil de huid is wat rossig en hij heeft een hele spitse neus en vrij grote ogen. De anderen hebben gitzwarte ogen, een platte neus en een zeer dunne spleet als mond, zoiets als bij een kat. Van de aards uitziende man ben ik niet zo bang, maar wel van die anderen. Die hebben een vrij lange nek en zeer dunne armen en lange vingers, zes stuks aan iedere arm. Aan die vingers zitten geen nagels zoals wij ze hebben.

De verlamming wordt minder, maar echt veel bewegen doe ik niet. Het lijkt alsof ze tegen mij zeggen dat ik me rustig kan houden en dat zij niets zullen doen wat mij pijn zal doen. Ze zijn lang bezig om mijn voeten en benen te onderzoeken. Het lijkt alsof ze noteren wat ze doen en uit het niets voel ik iets kouds tegen mijn benen aan en ik hoor een zachte klik. Zoals het kwam verdwijnt het (tot nu toe weet ik nog niet wat het was). Het volgende apparaat is zo klein als een poederdoos, zo zie ik vanuit mijn ooghoeken. Gelaten laat ik het toe en kijk om mij heen om een beetje een indruk te krijgen waar ik me bevindt. Ik schrik als ik plotseling voel hoe men mijn geslachtsdeel vastpakt om het te onderzoeken. Met mijn hand weer ik het af en schreeuw dat ik het niet wil en ik wil er één een mep verkopen, maar plots, alsof men een knopje omdraait, word ik weer slap en heb geen controle meer over mijn lichaam. Ik voel hoe men mijn balzak onderzoekt en er een haartje wordt uitgetrokken, met iets wat een pincet moet zijn. Als een koude spons zo zacht voelt de hand aan die mijn penis aanraakt en het vel ruw naar achteren trekt. Au, dat doet pijn en ik roep ook: “au!” Ik schreeuw nog meer als ik merk dat er iets in mijn plasbuis wordt geschoven want dat doet behoorlijk zeer, maar zodra ik ‘au’ roep voel ik een koude wind om mijn penis en het lijkt alsof het verdoofd wordt. Als het buisje eruit wordt getrokken verdwijnen meteen de verdoving en de koude wind en voel ik niets meer. Maar ik ben boos en angstig tegelijk en wil er toch één slaan omdat ik er genoeg van heb, want ik weet niet waar ik ben en ik wil niet dat er zomaar, zonder mijn toestemming, aan mij wordt gezeten. Maar ik moet in slaap zijn gevallen want als ik wakker word heb ik mijn pyjamabroek weer aan en een T-shirt en bevind ik me in een heel andere ruimte.

Ook in deze ruimte merk ik dat ik niet alleen ben en de ruimte ziet er anders uit dan zeven jaar geleden tijdens mijn eerste ervaring. Er zijn een heleboel mensen, van baby’s tot ouderen en zelfs vee. (zelfs nu, zo’n 25 jaar later, herinner ik me de ruimte nog goed.) Het lijkt wel een grote zaal met veel palmbomen en fonteintjes en op de achtergrond klinkt zachte harpmuziek. Het is er niet koud of kil, het voelt er benauwd alsof je in een warme kas bent waar de temperatuur zo’n 30 graden is. Er wordt niet gesproken maar toch wordt er gecommuniceerd zonder woorden. Ik vind het interessant en ben niet bang meer en heb al gauw het gevoel dat alles wel goed komt en dat ik vanzelf wel weer thuis zal komen. Ik merk dat iedereen zich op zijn gemak voelt. Mijn aandacht gaat uit naar een klein meisje dat mij aankijkt. Naar mijn gevoel is zij het meisje waarmee ik samen zat te huilen toen ik een jaar of zeven was en zij een jaar of vijf. In mijn gedachten vraag ik mij af waar ze vandaan komt en alsof ze mijn gedachten kan lezen antwoordt ze: “Uit Frankrijk.”

Dan wordt het plotseling donker en volgens mij duurt het een minuut voordat het langzaam lichter wordt en opeens kan ik de ruimte zien met miljarden sterren. Alsof we in trance zijn lopen we allemaal naar het grote scherm, wat een grote raam is van een soort plastic dat behoorlijk sterk moet zijn om niet te breken. De wezens die we eerder zagen komen plotseling en vertellen ons telepathisch wat ze doen en waarom ze ons op aarde observeren en enkele van ons hebben uitgekozen. Alsof er een lichtstraal door de ruimte vliegt zo wijzen ze ons aan waar we ons op dit moment bevinden en waar de aarde staat. Maar het is een soort infrarood licht van een soort aanwijsstok. Even wordt het donker en daar schrik ik wel van want het lijkt alsof het toestel tegen de aarde aan zal knallen maar het is een soort geschiedenisles want eerst zie ik een planeet met veel klei en grond en later komt er water bij en zo zie ik de geschiedenis voorbij komen. (In die tijd heb ik meer geleerd over de aarde dan in de jaren op school.) Ook hoe de vervuiling tot stand komt en hoe het verder zal gaan. Ze laten de hele evolutie zien van de eerste mens tot het wonder dat Jezus moet zijn geweest, Napoleon en de W.O. I en II en de tijd die nog moet komen, zoals zware stormen en overstromingen, vele rampen en oorlogen. Dan wordt het donker en daarna schijnt er weer licht en lig ik in de tuin. Ik sta op en iets helders vliegt met een snelheid weg die ik tot nu toe niet kan verklaren. De hond die we hebben, die normaal naar de keuken loopt als er iemand thuis komt, blijft binnen op zijn plek en durft daar niet vanaf. Gelukkig is er altijd een sleutel die we weten te vinden, het is de nacht van zaterdag op zondag en mijn oudste broers en zussen moeten nog thuiskomen van het stappen. Ik kijk op de keukenklok en zie dat het tegen vieren loopt. Heel erg vermoeid ga ik naar bed en denk nog even na over wat ik heb ervaren.

Dat was de tweede ervaring. Tot nu toe vind ik het nog steeds ongeloofwaardig, maar ik weet dat ik het niet heb gedroomd. Hun boodschap is eigenlijk nog onduidelijk gebleven. Hoewel ik wel heel erg angstig was, was het meestal toch ook de nieuwsgierigheid die de meeste angst verdrong. Ik herinner me nog dat ik de omgeving goed bekeek en eerlijk gezegd wilde ik iets meenemen zodat ik het voor mezelf had en misschien voor later, om te bewijzen dat het voor honderd procent waar is, zodat de wetenschap kan onderzoeken wat het was, als ik het ooit kon zeggen en het hen kon laten zien. Maar helaas, als ik iets zag dan lag het niet los voor het grijpen. Dat scherm vond ik wel mooi en je kunt het vergelijken met een groot bioscoopdoek maar dan driemaal zo groot. Ik vond het wel eng, want hoe is het mogelijk dat je dingen kan zien die ruim miljoenen jaren geleden zijn gebeurd tot de beelden van een groot mens dat volgens de bijbel Jezus moet zijn geweest, maar hij ziet er dan wel anders uit dan de meeste geïllustreerde plaatjes in school- of kerkboeken. Ze zullen wel over een soort DVD-speler beschikken met opgenomen beelden, maar dan is mijn vraag: “Hoe oud zullen zijn zij dan zijn?” Of zijn het opgenomen beelden van hun ouders, c.q. voorouders. Helaas weet ik dat antwoord ook niet, en ik stond er als jongetje van veertien ook niet bij stil om te vragen hoe zij aan dat beeldmateriaal kwamen. Dat object wat wegvloog had een witte onderkant met een roodachtig neonlicht. Heel even leek het mij te observeren, om te kijken of alles goed met me was en ineens was het gewoon weg. In bed bekeek ik mijn onderlichaam om te kijken of ik iets zag van littekentjes of rode plekjes of zo, maar ik kon niets ontdekken. De volgende dag had ik hoofdpijn en een vreselijke onderhuidse jeuk rond mijn buik en rond mijn schaamstreek en het eerste wat ik deed was een half uur onder de douche staan want ik voelde me heel erg smerig en misbruikt. Maanden ben ik er van onder de indruk geweest.

Mijn gevoelens
Mijn gevoelens werden ook sterker. Als ik bij mensen stond leek het alsof ik hun gedachten kon lezen of kon ik voelen dat ze pijn hadden. In mijn puberteit koos ik mijn eigen vrienden en vriendinnen uit. Diegene die het zwakst waren zocht ik altijd op en het klikte altijd. Of het nu tijdens het wielrennen was of op school of met buurtkinderen, het klikte. Het deerde me niet meer of er mensen waren die mij eng of vreemd vonden. Ik vond het wel goed en had en leefde mijn eigen leventje in mijn eigen wereld. Met mijn moeder kon ik alles goed bespreken. Ik vertelde haar niet alles, maar toch wel heel veel. Als ik tien dingen beleefde vertelde ik er haar zeven. Later, een paar maanden voor ze ongeneeslijk ziek werd, vertelde ze mij wel eens dingen die zij meemaakte of had meegemaakt.

Op mijn éénentwintigste kon ik er niet meer uitkomen. Het werd me te veel en het ging in zo’n stroomversnelling dat ik dacht dat ik beter dood kon zijn. Via, via kwam ik er achter dat ik maar eens contact moest opnemen met iemand die me kon helpen en dat deed ik. In Januari 1991 deed ik met knikkende knieën mijn eerste consult, ik zei niets en liet de therapeut het woord doen. Later ging alles beter en gingen wij als broers met elkaar om. In die tussentijd, tussen mijn veertiende en zevenendertigste jaar, werd ik nog drie maal bezocht en hoewel ik het wel gewoon vond, bleef ik het angstig en eng vinden. Op mijn vragen zoals: waarom ik, wie zij zijn en waar ze vandaan komen heb ik tot nu toe geen antwoord gekregen. Wat mij interesseert en altijd is bijgebleven, was het enige beknopte antwoord wat ik kreeg toen ik vroeg waarom ze mij namen en niet mijn broers of zussen. Telepathisch werd er gezegd: “Je bent anders en ooit zal je snappen waarom we je namen, dat kunnen we je nu niet zeggen.” Ik vroeg: “Is mijn moeder mijn moeder en mijn vader mijn vader?” Er werd gezegd: “Iedereen op aarde heeft maar één echte vader en je bent in je moeder geplaatst omdat wij dat wilden, omdat zij bij jou past. Zelfs als zij er niet meer zal zijn, zal ze dagelijks contact met je hebben.” Ik vraag me, na die ervaring, soms af wie ik ben en hoewel ik toch wel veel op een broer en een zus van mij lijk, heb ik soms het gevoel alsof ze helemaal geen broers en zussen van mij zijn. Maar dat gevoel heb ik altijd al gehad. Mijn moeder werd ook dikwijls vreemd gevonden en ik vraag me af of haar ook is overkomen wat mij dikwijls overkwam. Hopelijk krijg ik daar ooit een antwoord op, maar dat zal van haar wellicht niet meer komen en als ik mag kiezen hoop ik nooit meer in contact te komen met die wezens.

Nog een ‘ervaring’
In de zomer van 1982 fietste ik rond kwart over twee terug naar huis nadat ik bij een vriend van mij was geweest. Ik fiets ‘s nachts niet vaak, maar één keer hoefde ik helemaal niet te fietsen. Ik geloof dat het in juni was want we hadden bijna zomervakantie. Ik voelde me op het feestje al niet lekker, zo onrustig en dat had ik de laatste jaren wel vaker als ik iets voelde aankomen. De tweede ervaring was inmiddels al weer bijna drie jaar achter de rug.

Om terug te fietsen moest ik door een behoorlijk stuk bos, dat wel verlicht was, en eigenlijk meer heide dan bos was. Ik werd overvallen door een enorm angstgevoel, een angstgevoel wat ik niet kende en nog nooit had gevoeld. Ik sprak mijzelf moed in en zei tegen mijzelf: “Kom op jongen, je kunt wel via de provincialeweg naar huis fietsen en dat is misschien een goede training, maar wil ik voor drie uur in bed liggen. Dan maar even snel op de pedalen en vier kilometer doorrammen, het moet te doen zijn binnen acht minuten, dan zou ik weer in bebouwde kom zijn waar ik veilig tussen de huizen was.” Zelfs nu nog vind ik het raar als ik daaraan terug denk.

Op het moment dat ik het laatste huis voorbij ben en de heide en het stuk bebost gebied in fiets, blokkeert mijn lichaam. Ik denk: “Ik keer om en fiets terug via de provincialeweg. Maar hoe ik het ook wil en het probeer, ik kan niet omkeren en ik kan mijn hoofd niet links of rechts draaien. Ik probeer op de pedalen te staan maar mijn benen voelen zo gigantisch slap en ik krijg een vreselijke dorst. Mijn ogen voelen aan alsof ik slapen moet, maar ik denk: “Door fietsen jongen!” En ik fiets langzaam verder omdat ik niet sneller kan. Even lijkt het erop alsof ik alle gevoel weer terug krijg en ik kan zelfs mijn hoofd weer bewegen. Ik aarzel nog even om terug te keren, maar besluit toch maar om hard door te fietsen want ik merk dat ik ineens toch hard kan fietsen.

Plotseling zie/voel ik een soort lichtbundel schijnen die over het pad naar iets zoekt. Ik schrik mij wezenloos en stap snel van de fiets en duik de greppel in. Ik weet in eerste instantie niet wat het is. Waar ik fiets is een militair schietgebied, maar algauw merk ik dat het geen auto of andere voertuig kan zijn en plotseling krijg ik weer die vreselijke angst en voel ik mij moe, heel erg moe. Hoewel de nacht koel is, krijg ik het heel erg benauwd en krijg het warmer en warmer. Op een gegeven moment zit ik alleen nog in mijn T-shirt en onderbroek tegen een boom geleund en voel me zeer sloom en niet in orde. Het licht wordt feller en op een gegeven moment ben ik zo vreselijk moe, ik moet mijn ogen wel even dichtdoen, hoewel ik dat niet wil en er tegen vecht.

Ik heb het idee dat ik nog tegen de boom aan leun terwijl ik mijn ogen open, maar ik bevind me in een vertrek en heb gelijk door dat ik weer eens op een plek ben waar ik liever niet wil zijn. Zoals altijd ben ik weer bang, bang voor wat er dit keer gaat gebeuren. Het is er kil dat is wat mij opvalt, dit is de derde ervaring en net als bij de twee andere ervaringen is het kil en donker. Als ik mag schatten dan is het er rond de 13 graden. Ik betast de wand in het donker en het voelt aan alsof je in verse stopverf zit te knijpen. Ik denk: “Ik zou willen dat het wat lichter was, dan kon ik tenminste iets zien,” en op het moment dat ik dat denk, wordt het wat lichter en dan dringt het tot mij door dat alles via telepathie gebeurt. Ik ben erg bang en terwijl ik denk: “Laat me wat flinker zijn, zonder angst,” gebeurt dat ook.

Nu het licht is, kijk ik naar de wand omdat het zacht als stopverf voelde, de wand is bruinig, tenminste de kleur ziet er uit als bruin. Ik ga er met mijn hand overheen en het voelt net als wat ik eerder voelde, als een soort stopverf maar heel glad. (Wat ik nu nog moeilijk kan omschrijven.) De tegels op de vloer zijn van een soort marmer met groene neonlichten in de hoeken en ik betast het met mijn hand, het voelt warm aan. Ik krijg het gevoel alsof er iemand over mijn schouder mee kijkt en voel me angstig. Ik denk: “Hier wil ik uit,” en op dat moment gaat de wand open en kan ik naar buiten lopen. De wand is misschien 2 cm dik en ik kan geen sloten of andere mechanismen ontdekken. De gang is onoverzichtelijk en ik schat dat er na ieder vijf meter een bocht van negentig graden is, dus denk ik na vier keer zo’n bocht dat ik weer bij hetzelfde punt ben. Tussen het loopgedeelte en de wand loopt een lijn van groene neonverlichting. Het is moeilijk te zien wat het loopgedeelte is en waar dat overgaat in de wand met plafond, omdat het ovaal loopt. Echt naar voren kijken kan ik niet en dat is angstig, als ik achterom kijk is het schemerig. Bij iedere voetstap die ik doe gaat zo’n neon aan en gaat de andere uit.

Ik word erg bang omdat ik niet weet waar ik ben en wat er komen gaat. Ik bid God om me niet alleen te laten en dat ik bang ben en rust wil. Dan houdt de gang op en wil ik mij omdraaien om terug te lopen, maar hoe het komt weet ik niet, ineens sta ik in een grote kamer die ijs en ijskoud is. Ik probeer het stuk gang terug te vinden wat ik gelopen heb, maar kan het niet vinden. Ook als ik in gedachte zeg: “Laat mij het stuk terug vinden,” gebeurt het niet en blijf ik in die ijskoude ruimte. Met mijn ogen dicht leun ik tegen de wand en huil in mijzelf omdat ik gewoon erg bang ben en niet weet wat er nu weer gaat gebeuren, wat ze nu weer van me willen.

Als ik mijn ogen opendoe is er een fel licht. Ik moet wennen aan het licht en merk dat ik niet alleen ben Mijn oog valt op een jongetje van een jaar of vier dat enorm huilt en om zijn moeder roept. Uit het niets lijkt het alsof het kind gewichtsloos wordt want hij verdwijnt dwars door de wand naar een ander vertrek. Een andere jongen, van mijn leeftijd, die ik bij de twee andere ervaringen nooit eerder heb gezien, of misschien niet heb opgemerkt, pakt plots mijn hand stevig vast. Niemand praat er, er wordt gecommuniceerd via gedachten. Hij zegt dat hij heel erg bang is en dat dit voor hem de eerste keer is. Hij komt uit het zuiden van Portugal en zijn naam klinkt onduidelijk in mij op, maar ik kan niets anders verstaan dan Joachim of tenminste een naam die daar sterk op lijkt. Wat hij zich kan herinneren is dat hij tijdens het binnenhalen van de schapen tegen een rots is gaan zitten en waarschijnlijk in slaap moet zijn gevallen. Ik kan alleen in gedachten tegen hem zeggen dat hij niet bang hoeft te zijn en dat het mij twee maal eerder is overkomen.

Als een soort magneetband begint de vloer te schuiven en het wordt even erg donker. Ik voel me niet op mijn gemak en knijp de jongen hard in zijn hand, maar het donker duurt slechts een seconde of twintig en daarna wordt het lichter en merk ik dat ik me in een andere vertrek bevindt met de anderen en het lijkt alsof de wind waait maar dat is van korte duur. Het geluid lijkt op de ruis die je op de radio hoort als je naar een zender zoekt. Er komen drie wezens binnen, één vrouwelijk en twee mannelijke met opvallende rood/bruinachtige kleding waaraan je knoop nog rits kan ontdekken en wat over lijkt te gaan in hun schoeisel of iets wat daar voor door moet gaan. Ze hebben wel veel weg van menselijke gedaanten, alleen hun gezicht loopt heel spits af en hun ogen zijn iets groter dan die van ons, maar niet gitzwart en zo groot als aardappelen, zoals in mijn eerdere ontmoeting. De vrouw heeft geel of goud haar, ik kan het niet anders omschrijven. Haar ogen zijn heel mooi blauw zonder pupil of iris, gewoon blauw, licht blauw. Zowel door de vrouw als door de mannen wordt er niet gesproken via de mond maar via telepathische weg. De vrouw doet het woord, waarom we hier zijn en dat ze enkele dingen van ons moeten hebben om een gelijkenis te krijgen wat men hen samengevoegd kon worden. Daarna word ik moe en ik merk niet dat ik ga liggen, ik weet niet of die ruim twintig andere mensen hetzelfde overkomt. Ik weet niet waar de jongen is gebleven die mijn hand vast pakte en kan mij niet herinneren dat ik losliet of hij.

(Soms probeer ik me nog voor de geest te halen of ik ergens ging liggen of dat er vanuit het niets iets omhoog kwam dat me optilde.) Ik merk dat ik weer op zo’n tafel lig en in al mijn vingers steekt een naald, tenminste, zo ziet het eruit, met een hele dunne draad die in het plafond verdwijnt. Ik val weg en kom weer bij naast de greppel, ruim vijftig meter bij mijn fiets vandaan. Mijn broek kan ik gelukkig nog vinden, maar helaas mijn schoenen niet. Als ik thuis kom is mijn moeder boos was, ze was ongerust en was bang dat er iets met mij gebeurd was, want het is inmiddels bijna zes uur.

Tot nu toe weet ik dat ik qua gevoel daar niet langer dan zo’n veertig minuten of misschien een klein uurtje ben geweest, maar bijna drie uur, nee ik kan het me nu nog niet voorstellen, ik ben die tijd in mijn geheugen gewoon kwijt. Misschien komt het ooit nog naar boven.

Naarmate ik ouder werd wist ik dat ik een groot geheim meedroeg. Toen ik jong was dacht ik altijd dat als men ouder wordt de mensen het wel willen begrijpen en willen geloven wat je meemaakt, ondanks dat het niet geloofwaardig klinkt maar toch waar is. Misschien is dat de reden dat ik vaak teruggetrokken ging leven en alleen mensen in mijn omgeving toeliet waarbij ik mij veilig achtte en mij lekker bij voelde, omdat ik van mijzelf erg onzeker ben en weinig zelfvertrouwen heb. Soms is het moeilijk om het voorval te vergeten en ik zou willen dat het voorgoed uit mijn geheugen verdwijnt, maar ik denk er gelukkig niet elke dag aan. Het enig wat ik eraan over heb gehouden (behalve dan een psychische trauma, maar dat heb ik verwerkt) is een litteken rondom mijn rechter middelvinger. Dat kwam omdat die dingen niet alleen ’s nachts gebeurden maar ook overdag. In de zomer van 1973, ik was acht jaar, was ik achter in de schuur aan het spelen en ik schrok van een gezicht wat ik zag in de betonnen muur dat heel erg boos keek en iets tegen me zei. Ik riep heel hard: “Mama, mama, ze willen me pakken!” en op het moment dat ik de schuur uitrende struikelde ik en ik bleef met mijn middelvinger haken aan kippengaas en van angst, ik was bang dat men mij achterna kwam, trok ik uit alle macht om mijn vinger los te krijgen, die inderdaad los kwam maar dan hangend.

Mijn moeder gilde de hele buurt bij elkaar en op dat moment kwam mijn vader ook net thuis van zijn werk en riep hard wat er was. Toen hij mijn half afgerukte vinger zag pakte hij een theedoek en we gingen naar het ziekenhuis om het te laten hechten. Volgens de chirurg was er zoveel beschadigd dat ik voor altijd het gevoel kwijt zou zijn, maar ik werd ‘s nachts wakker met wild vreemde mensen om me heen en de volgende dag had ik geen pijn meer en na een week, toen ik terug ging en men testen had gedaan, stond de arts, dr. Vos, verstelt dat alles weer normaal functioneerde zoals het hoorde. Met die ervaringen beter leren omgaan heb ik echter nooit. Tot nu toe vraag ik me af wat de bedoeling ervan is. Goed, ik zie en voel wel eens wat dingen, maar dat is ook niet dagelijks en soms is het een hele tijd weg, maar of dat met de buitenaardse ervaringen te maken heeft, nee absoluut niet, tenminste, volgens mij niet. Die buitenaards ervaringen zijn gewoon puur toeval. Ik heb ernaar gezocht en kon er weinig van vinden dat mensen die ontvoerd zijn of werden bezocht/onderzocht ook paranormale gaven kregen. Het enige wat ik van hen meekreeg was dat ik in hun ogen iets bijzonders moest zijn, maar ik voel me net zo aards als ieder ander, het enige wat ik me soms afvraag is: “Waarom ik?” Wat ik ook heb is dat ik te gevoelig ben en veel te emotioneel kan zijn bij hele normale gebeurtenissen. Eén van hun studies is de emotie van dit aardse ras en de voortplanting zoals wij dat hier doen, want voortplanten kunnen ze niet met elkaar, daar hebben ze mensen van hier voor nodig. En of het ruw of zachtaardig moet worden gedaan, ze doen het.

Geloof me maar, ik kan mij dat nog herinneren, ik was vierentwintig...
Ik was vierentwintig toen ik mijn vierde ervaring opdeed. Ik voelde me de hele avond al onrustig en dacht er in eerste instantie niet aan dat ik weer bezocht zou worden, het was inmiddels zeven jaar geleden dat ik voor het laatste werd bezocht en eerlijk gezegd was ik het vergeten. Ik dacht daar dus niet meteen aan die avond. Misschien was het een voorgevoel van een wereldramp of zoiets, want meestal als ik iets droomde kwam het een week of zes later uit. Zoals Bush die de Amerikaanse verkiezingen won en de val van de Berlijnse Muur waarvan ik in juni al zei dat die zou vallen, maar enkele vrienden toen zeiden: “Jongen, je zit weinig mis, maar dit keer behoorlijk.” Nee, het leek erop alsof ik griep zou krijgen, misschien had ik het wel onder de leden en werd het na die ervaring erger, of het misschien kwam het juist daardoor maar dat weet ik niet. Kortom, het zal rond een uur of zeven zijn geweest dat ik mijn bed opzocht. Ik was bang en voelde me helemaal niet pluis. Ik was alleen thuis, iedereen was uit, naar vrienden toe of gewoon net als mijn moeder en mijn zus naar de stad. Vrijdagavond was de avond waarop iedereen gewoon weg was. Mijn moeder was dan meestal rond de klok van half tien weer thuis, meestal ging ze met mijn schoonzus naar de stad om boodschappen te doen. En behalve mijn moeder was mijn broer ook nog voor het laatst in huis voordat hij op zichzelf ging wonen. Ik weet nog dat ik in de gang, kamer en overloop het licht aan liet, zodat het huis behoorlijk verlicht was. Alleen zelf met het licht aan slapen kon ik niet, nu niet en toen ook niet. Ik dacht: “Als ik het licht aanlaat, overal, kan ik het in mijn kamer donker laten en kan ik toch door het glas het licht zien schijnen.” Ik voelde me heel erg misselijk worden en heel duf in mijn hoofd. Ik kleedde me snel uit. Omdat ik me duizelig voelde ben ik snel onder de wol gekropen en naar mijn gevoel direct in slaap gevallen. Ik merkte amper dat de familie thuis kwamen en dat mijn moeder later voor mijn bed stond en vroeg wat er was. Ik antwoordde haar dat ik het niet precies wist, maar dat ik heel erg moe was en hoofdpijn had.

Het is rond een uur of drie ’s nachts als ik wakker wordt van een fel licht dat door mijn zolderraam schijnt. In eerste instantie denk ik dat het de maan is maar plotseling gaat mijn hart ging te keer vanwege iets dat ik zie en wat ik ruim zeven jaar niet meer heb gezien. Ik roep hart om mijn moeder en roep mijn broer, maar de hele familie lijkt muurvast te slapen. Van angst trek ik de deken hoog over mij heen, in de hoop dat het weg zal gaan. Het licht wordt minder en voor mijn gevoel verdwijnt het. Ik probeer mijn broer weer te roepen die op het andere gedeelte van de zolder slaapt, gescheiden door een wand, maar het lijkt alsof mijn stemgeluid gewoon wegwaait want hij hoort het niet en mijn moeder, die net als ik van iedere geluid wakker wordt, hoort mij ook niet. Ik ga met mijn hoofd onder de deken liggen en val vrij kort daarna in slaap.

(Ik heb wel vaker de ervaring gehad dat ik heel erg moe werd en het gevoel had dat ik moest slapen, maar tot nu toe kan ik me niet herinneren dat ik dan werd meegenomen. Meestal als ik heel erg moe ben en in bed lig, dan lig ik eerst een boek te lezen en of het nu één, drie of vijf bladzijden zijn die ik moet lezen, ik lees altijd voor ik ga slapen, anders kom ik niet in slaap. Soms kwam er later weer een herinnering boven. Van al die ervaringen kon ik wel iets herinneren, maar de laatste jaren kan ik mij herinneren wat er werd gedaan. Ik heb het gelukkig niet meer dat ik iedere avond met enige angst naar bed ga. Heel soms heb ik het nu nog wel, als ik alleen naar bed ga omdat mijn partner aan het werk is en veel nachtdiensten heeft. Ik kan dan wel onrustig worden en dan probeer ik mijzelf wakker te houden tot mijn partner er weer is. Oké, als ze me meenemen kan hij het ook niet tegenhouden, want diegene die ze niet nodig hebben houden ze wel in slaap, maar ik vind het fijner als er iemand bij me is en mijn partner schijnt ook meerdere malen dingen te hebben gezien in mijn nabijheid waar hij angstig van werd en waarbij we allebei als een blok in slaap vielen. Daar kom ik later nog op terug.)

Ik word wakker en heb het gevoel dat ik moet plassen en wil het bed uitstappen, maar al snel merk ik dat ik niet op de plaats lig waar ik liever lig. Ik lig op een soort bankje en ik denk nog even dat ik droom, ik wrijf in mijn ogen en merk al snel dat dit geen droom is. Ik moet diep geslapen hebben want alles wat ik nog weet is dat het licht wegging en ik stijf onder de deken lag. Ik merk dat ik geen pyjama meer draag, maar een soort leren doek om heb. Echt leer is het niet, wat het wel is weet niet. Het lijkt een combinatie van leer, katoen en fluweel. Mijn schouders en armen zijn rood, hoe dat komt weet ik niet. Het vertrek waarin ik wakker word ziet er anders uit dan bij de andere keren. Het is lekker warm en ik kijk rondom mij heen, maar ik kan geen deur of een raam ontdekken.

Ik krijg het gevoel alsof men mij in de gaten houdt. Mijn aandacht wordt afgeleid door een soort kaart die aan de wand hangt. Ik sta op en bekijk het plakkaat. Het hangt niet, het lijkt alsof het erin is gegraveerd. Het ziet eruit als allemaal lijnen, alsof ze in een soort driehoek zijn getekend en volgens mij moeten er meer dan honderd driehoeken door elkaar heen getekend zijn met daarbij een voor mij onbekend schrift dat cijfers of letters kunnen zijn. Het lijkt Arabisch, want andere tekens heb ik nooit gezien en ken ik ook helemaal niet. Aan de onderkant is een behoorlijk aantal planeten getekend. In het midden lijken twee zonnen te staan. Het ruikt er lekker, een soort lavendelachtige geur.

Ik heb nog steeds de drang om te plassen, maar ik kan geen toilet ontdekken en op het moment dat ik dat denk laat ik mijn urine lopen en het lijkt alsof het gewoon oplost. Ik voel me angstig en al raak ik er wat aan gewend, de angst is er in het begin altijd. Mijn angst voor wat er nu weer gaat gebeuren en wie zijn het deze keer? Zijn het dezelfde als de twee voorgaande keren of zoals die bij de eerste keer? Mijn hart klopt in mijn keel en ik hoor het in mijn hoofd bonzen. Plotseling staan er vanuit het niets drie wezens voor me, twee mannelijke en één vrouwelijke. Ook zij heeft goudachtig haar met een ovaal rond gezicht, spits toelopende ogen en een tuitmondje.

Omdat ik telepathisch niets van hen doorkrijg, raak ik in paniek en word ik heel erg bang. Ik wil weglopen om een uitgang te zoeken, maar voor ik het weet lijkt het alsof ik twintig centimeter van de grond af word getild en ik al zwevend op een tafel word gelegd die uit het niets de uit de grond komt. Deze tafel is anders dan de andere. Het is ook wel een soort operatietafel, maar dan breder en je ligt er dieper in, met je hoofd naar achteren en met je benen in een soort beugel. Ik ben heel erg bang en huil heel intens omdat ik niet weet wat ze met mij gaan doen. Ditmaal had ik het gevoel dat ik dit misschien niet overleef, omdat ik ook had gezien wat men met vee had gedaan. (Waar ik later over zal schrijven.) Ik ben nog nooit zo bang geweest. Maar door een plotselinge parfumgeur, die van onder de tafel lijkt te komen, raak ik behoorlijk opgewonden en met het schaamrood op de kaken merk ik dat ik een enorme erectie heb gekregen. Ik probeer er mijn handen op te leggen, maar ik kan net als bij de voorgaande onderzoekingen noch mijn handen, noch mijn voeten bewegen.

Plotseling sta ik rechtop, maar kan mij niet herinneren hoe ik van die tafel ben gekomen. Wat ik wel weet, is dat het vrouwelijke wezen op mij afkomt en mij vastpakt. Het lijkt wel magnetisch, want ik ben bang en probeer me los te wrikken, maar ik merk dat ik muurvast zit en ik geef me over met de gedachte dat ze mij geen pijn zal doen. Ze voelt glibberig aan, alsof haar huid met olie is ingesmeerd. Ik kan me niet herinneren of ze haar kleding heeft uitgedaan of dat ze ineens kledingloos werd. Ik vind die aanraking niet prettig. Haar onderlichaam zuigt zich letterlijk vast rond mijn geslachtsdeel. Ik wil het absoluut niet en ik probeer mij weer los te wrikken. Ik weet niet of ik klaargekomen ben, want op het moment dat dacht: “Dit wil ik niet,” had ik van angst geen erectie meer.

Opeens krijg ik het gevoel weer terug in mijn handen, armen en benen en het eerste wat ik doe is mijn handen voor mijn geslachtsdeel leggen. Het druipt nog wat en vol schaamte, angst en woedde zoek ik naar iets om mij te bedekken. Ik heb daardoor niet opgelet waar de vrouw is gebleven. Ik ben erg kwaad en voor het eerst ook woedend omdat ik me misbruikt voel en ik vloek behoorlijk mede omdat ik mijn onderbroek ook al niet kan vinden. Ik huil enorm en kan niemand meer ontdekken, waarschijnlijk heb ik ze in mijn woede niet weg zien gaan. Huilend vraag ik mijzelf af waar dit allemaal goed voor is en wat er verder met mij gaat gebeuren. Al huilend roep ik heel hard: “God ik ben zo vreselijk bang, help me alsjeblieft?”

Zo overstuur als nu, ben ik bij de drie voorgaande ontvoering niet geweest. Het kan me ook niet meer schelen wat ze verder gaan doen. Ik zou het niet eens erg vinden als zij mij dood maken. Ik ga op de grond zitten in afwachting wat er komen gaat en ik ruik weer een frisse lucht, wat kaneelachtig en God mag weten waar het vandaan komt, uit het plafond of uit de vloer waarop ik zit. De vloer voelt lauw aan, een soort vloerverwarming zeg maar, en ik weet niet of het van plastic, beton of een zeilachtig kunststof is. Ik word moe en sluit mijn ogen en als ik ze open doe lig ik beneden op de bank, naakt. Mijn T-shirt en onderbroek liggen niet ver van me vandaan. Ik loop naar de keuken en drink veel water. Vervolgens controleer ik de voor- en achterdeur om te controleren of ze op slot zitten, maar ik kan niets alles zit dicht en ook de ramen zitten op de knip. Ik blijf ruim een uur op de bank zitten en ik durf niet naar mijn onderlichaam te kijken, ook terwijl ik mijn onderbroek aandoe. Ik ben veel te bang dat het misschien anders is geworden. Ik doe de tv maar aan en zap van het ene kanaal naar het andere. Op de Duitse zender hoor ik het nieuws rondom de Berlijnse Muur die binnen een paar maanden afgebroken zal worden als de ontwikkelingen zich zo voor blijven doen. Even later merk ik dat ik rustiger ben geworden en ik bekijk nu mijn onderlichaam maar ik kan niets vreemds ontdekken. Zelfs mijn urine ziet er gewoon uit als ik naar de wc ga om te plassen. Stilletjes loop ik naar boven om niemand te wekken en ik onderzoek mijn beddengoed of daar misschien een spoor te zien is, maar ik kan niets abnormaals ontdekken en vrij snel daarna val ik in slaap.

Ik weet nog dat ik weken, misschien wel maanden, van slag was na deze gebeurtenis. Ik voelde me vies, depressief en had veel last van huilbuien. Ik wilde graag praten, uithuilen en vertellen wat er speelde sinds mijn zevende jaar. Maar ik wist dondersgoed dat men mij voor gek zou verklaren en misschien zou ik dat wel ook doen als iemand mij iets dergelijks zou vertellen wat hem of haar is overkomen. Ik sloot me op en ging alleen nog naar buiten om te fietsen. Met fietsen kon ik mijn agressie, woede en verdriet kwijt door zo hard mogelijk te fietsen. Ik weet nog dat ik heel erg angstig werd en als men mij alleen maar op de rug klopte schrok ik enorm en kon ik erg kwaad en opvliegerig worden. “Heb je wat te verbergen?” kreeg ik dan te horen. Ik dacht vaak: “Je moest eens weten!” Ruim een half jaar later ging ik uit en leerde ik toch wel vrienden kennen, één is een goede boezemvriend van mij geworden en wat het paranormale betreft nam hij me gelukkig erg serieus en van mijn andere ervaringen heb ik niet één van mijn vrienden ooit wat verteld.

Nee, mijn kameraden, zoals ik ze noemde, vroegen me wel eens om raad. Er waren er enkelen bij die eerst twijfelden, maar daar kwamen ze van terug tijdens een verjaardag van één van hen. Ik weet nog dat daar een onbekend meisje zat, een kennis van hem, maar ik vroeg haar of ze erge last van haar nek had. Ze keek me aan van ‘hoe weet jij dat?’ en vroeg dat vervolgens ook want ze kende mij helemaal niet. Ik vertelde haar dat haar hoofd een klap had gemaakt tijdens een botsing en dat de pijn zelfs in haar onderrug schoot. Het meisje werd vuurrood en begon ineens te huilen, tegen de persoon die jarig was zei ze: “Hoe weet hij dat?” En: “Ik vind hem eng!” Ik was zelf ook erg geschrokken van haar reactie en ik realiseerde me dat ik te ver was gegaan. Ik wilde haar mijn verontschuldiging aanbieden maar het meisje was al op gestaan en huilend de deur uitgelopen. Het was niet mijn bedoeling geweest om haar overstuur te maken of de anderen die daar zaten bang te maken. Ik vertelde dat mijn vrienden en ik besloot om maar weg te gaan, maar mijn boezemkameraad zei: “Hé magic,” dat was mijn bijnaam bij hem, “wacht even dan gaan we zo samen uit.”

Ondanks dat mijn avond klote aanvoelde, wachtte ik en we zijn daarna samen gaan stappen. Na afloop van die avond sprak ik er nog met hem over, maar hij zei: “Ja joh, dat kon jij ook niet weten, toch?” Ik heb hem veel verteld, ook over zijn tijd in Indonesië waar hij in zijn vorig leven woonde. Er bleek veel te kloppen en ik weet dat hij het altijd leuk en uniek vond als ik de plek beschreef waar hij was geweest. Over de buitenaardse ervaringen heb ik hem nog nooit verteld, geen van mijn vrienden toen. Ik was er denk ik er nog niet klaar voor.

Geleidelijk aan heb ik het mijn huidige partner verteld. Gelukkig kon ik zo’n beetje mijn ei aan hem kwijt, alles wat jaren was opgekropt en ik merk, zoals ik al eerder schreef, dat mijn muurtje dunner en dunner wordt. Ik weet dat ik fijne vrienden heb en een paar goede, betrouwbare vriendinnen. Toch is het moeilijk om hen alles te vertellen, wat je voelt, hoe je je voelt en over je angsten van die tijd. Nu nog praat ik heel veel met hen, maar ook over andere zaken waarbij ik hen kan helpen.

Gelukkig was er ook wel eens een tijd dat ik niets aanvoelde of iets zag en dan dacht ik: “Gelukkig, zou het weggegaan zijn?” Mijn leven is ingewikkeld en soms snap ik mijzelf niet en weet ik niet of ik gelukkig moet zijn. Mijn grootste beschermelinge ben ik kwijt; mijn moeder en het is waar als men zegt dat je iets pas gaat missen als het er niet meer is. De ziekte van mijn moeder zag ik zeven jaar voordat ze ziek werd aankomen. Nu voel ik me heel erg schuldig en vraag ik me af of ik niet eerder met haar naar een dokter had kunnen gaan, dan was ze misschien nog te redden geweest. Toen bij haar een gezwel in het hoofd werd ontdekt, zei de neuroloog dat het er al zo’n vijf jaar moest zitten, ik dacht dat ik door de grond ging.

Toen mijn moeder ziek was en ik haar na bijna negen maanden uit handen moest geven, kwam dat voor mij als een geweldige klap en realiseerde ik mij dat ze nooit meer bij mij zou kunnen zijn. Ze maakte zich altijd zorgen om me en had beloofd om er nooit over te praten met haar andere kinderen. Toen ze ziek was zij ze tegen mijn broer dat ze wezens had gezien, die op straat naar haar keken. Hij keek mij aan en zei: “Mama liegt nooit.” Ik was even bang dat ze hem ook zou vertellen wat ik al die jaren heb moeten doorstaan en ik had dat er op dat moment niet bij kunnen hebben. Ze hield zich toch aan haar belofte, hoe ziek ze ook was. Ik heb haar ooit verteld dat ik dat zelf zou vertellen, als ik er klaar voor was. Later die avond hadden we het er nog even over, wat ma had gezien, daarna hebben we er nooit meer over gesproken.

Nu ik alles weer beetje bij beetje voor me zie en het een plaats begin te geven, voel ik mij wat vrijer en losser worden. Het is een soort opluchting en mijn angstgevoelens zijn wat minder, alhoewel men mij niet echt moet laten schikken, want dan ben ik heel erg van streek. Ik heb het een plek gegeven en ik weet dat ik het nooit meer kan vergeten. Soms ben ik bang en onrustig en voel ik iets aankomen, maar dan weet ik niet wat. De laatste keer dat ik heel erg overstuur van een droom wakker werd, was in juni 2001 en het gekke was, ik had die droom ook al een jaar eerder gedroomd, maar toen kon ik het niet echt helder zien en bij deze droom wel. Deze ochtend vertelde ik mijn droom aan een oud collega die een week of vijf bij mij logeerde omdat hij geen woonruimte had.

De droom ging als volg: Ik zit in een bus die geblindeerd lijkt te zijn en het lijkt alsof de bus vliegt. Plotseling lijkt het alsof de bus een hoek maakt van 90 graden en tegen de vangrail van een brug opklapt. Niet lang daarna komt er nog een bus die het hetzelfde doet, precies hetzelfde. Mensen gillen en huilen en enkelen springen in de diepte. Die diepte kan ik heel helder zien. Het lijkt wel een steengroeve, tenminste, ik zie stenen en overal kleine lichtjes branden. Dan stort de brug in. Ik schrik schreeuwend wakker.

Mijn kat sprong van het bed omdat ik met mijn benen lag te trappelen en te schoppen. Ik werd wakker en heb het getekend zoals ik het mij kon herinneren. Toen op 11 september die aanslag gebeurde op het World Trade Center in New York was ik ‘s avonds heel erg overstuur. Ik kwam ’s morgens van mijn werk uit de nachtdienst terug en ging slapen tot ruim kwart over één ’s middags. Om half twee pakte ik de racefiets om te gaan trainen. Toen ik weer thuiskwam belde mijn vriend mij op (ik had toen nog geen relatie met hem) en zei: “Je moet de tv aanzetten!” Ik vroeg: “Hoezo, ik ben net wezen trainen en wil eerst eigenlijk gaan douchen?” Hij zei: “Doe het maar.” Ik keek naar de tv en zag al die ellende.

Later toen ik naar de paragnost ging waar ik al ruim tien jaar kwam, had ik het er met hem over, we spraken over die aanslagen. Hij zei: “Je had het goed hé.” Ik vroeg hem: “Hoezo?” Hij zei: “Draai die tekening maar een kwart om, dan zie je vliegtuig één en vliegtuig twee.” Ik dacht dat ik door de grond ging. In die tijd ben ik astraal wezen kijken op ground zero, maar daar zal ik later nog op terug komen.

Mijn vijfde en laatste ervaring gebeurde rond mijn 31e a 32e levensjaar
Ik lijk weer uit een diepe slaap te komen omdat ik ineens heel erge dorst heb. Ik word wakker en voel me zweverig dus denk ik: “Even de ogen dicht doen want ik ben duizelig zoals ik wel vaker ben.” Maar als ik de deken af wil gooien om uit bed te gaan om een glas water te halen, merk ik dat ik mij niet in bed bevindt, maar op een soort lederen bank. Ik schrik en sta snel op want ik realiseer mij meteen dat het weer raak is. “O nee, niet weer,” denk ik nog.

Ik kan geen raam en deur ontdekken en denk: “Hier wil ik uit!” Dan gaat er een schuifdeur open, niet van links naar rechts, maar van boven naar beneden. Het frappante aan de schuifdeur is dat ik niet kan zien of hij het plafond in gaat en door de vloer heen, heel raar, ineens is er een opening waar ik doorheen kan. De gang waar ik doorheen loop is anders dan in een vorige gebeurtenis, toen werd na iedere pas alles donker achter mij en voor mij lichter, heel eng. Deze gang is echter een metalen gang. Ik voel de wand, dat voelt koud aan, maar ik kan geen verschil ontdekken tussen de wand en de gang waar ik op loop, want alles lijkt aaneen gesloten. Of het licht nu uit het plafond, vloer of wand komt is me niet duidelijk. Als ik in de verte, aan de schaduw te zien, een schim zie ben ik bang en wil ik teruglopen, maar ik ga toch verder. Continu kijk ik achterom, het voelt soms net alsof er iemand achter me staat, maar ik kan niets ontdekken.

Een enigszins warme luchtstroom vloeit langs me heen en het ruikt er parfumachtig. De gang houdt op en een schuifdeur gaat open, ik zie weer een lange gang met allemaal lichtjes aan de muur, zeg maar een soort kerstlichtjes, heel apart en het is voor het eerst dat ik dat zie, het ziet er ook wel aards uit. Dat is voor het eerst dat ik zoiets zie, want andere lichten, tijdens eerdere ervaringen, leken gewoon vanaf het plafond, de grond of de wand te schijnen. Naar mijn gevoel lijkt die gang wel een kilometer lang met zes doorgangen en iedere keer als ik door zo’n doorgang loop, lijkt het net alsof ik door een stukje groen licht heen loop, heel uniek. Ik ben ook niet meer bang en ik denk: “Bij de vier voorgaande gebeurtenissen werd ik altijd weer teruggebracht, dus waarom deze keer dan niet? Toch knaagt ook die onrust bij me, dat onwetende, die onzekerheid.

Ineens houdt de gang op en kijk in een enorme diepte, heel eng. Ik kan geen einde zien omdat het te donker is. Ik weet niet wat dat voorstelt en ik twijfel of ik terug zal lopen naar de kamer waar ik vandaan kom om daar maar af te wachten wat er gaat gebeuren. Ik word bang, bang omdat ik in die diepte kijk waarvan ik het einde gewoon niet kan zien. Het is gewoon donker en ik hoor een geluid wat ik niet kan plaatsen, een blazend geluid, alsof er wind waait. Er is geen trap of wat dan ook en ik ben gewoon bang dat ik zal uitglijden de diepte in, omdat de vloer voor mijn gevoel nogal glad is. Ik kijk naar beneden in de diepte om mijn ogen te laten wennen aan het donker. Heel af en toe hoor ik een geluid alsof er ergens water neervalt, dat geluid komt me wel bekend voor.

Ik besluit toch maar om terug te gaan en loop weer die gang door, maar het gekke is dat de doorgangen er niet meer zijn, dus ben ik in een ander vertrek. Ook daar is een hele grote diepte maar deze kan ik zien. Het is er mooi en er staan bomen die op palmbomen lijken, net als mijn vorige ervaring en er is zo te horen een fontein, maar die kan ik niet zien. Ik ruik daar een lekkere lucht die ik niet kan beschrijven. Terwijl ik denk: “goh, wat leuk, hoe kom ik daar?” sta ik plotseling voor de bomen. Het lijkt alsof er een soort woestijnzand op de grond ligt en zo voelt het ook als ik de grond aanraak. Of die bomen echt of kunstmatig zijn weet ik niet, alhoewel ik ze kan betasten kan ik dat niet bepalen.

Zomaar opeens staan er drie wezens voor mij, twee vrouwelijke wezens en een mannelijk wezen met twee kinderen. Ik schat dat de kinderen zo’n 80 cm klein zijn, ze komen tot iets beneden mijn heupen, ik weet hoelang mijn benen zijn tot aan mijn heupen, vandaar. Ik schat de leeftijd van de kinderen op een jaar of zes. Het zijn een jongen en een meisje, tenminste zo zien ze er uit. Het meisje heeft geelblond haar tot op haar schouder, en de jongen heeft kortgeknipt haar. Ze kijken me indringend aan en ik word opslag heel erg emotioneel. Ik heb het gevoel dat het kinderen zijn die door mij zijn verwekt, dankzij de eerdere ervaringen van mij. Ze hebben een spits gezicht met zeer smalle lippen en vrij lange armen en vingers. Hun ogen zijn grijs met een heel kleine pupil. Ik kan mij geen namen herinneren, het meisje pakt mijn hand vast, haar hand voelt heel zacht aan en ze heeft vier vingers, maar geen duim. De jongen idem. Ook hij pakt mijn hand en ze loodsen me mee naar een klein kamertje waar een paar stoelen staan of iets wat lijkt op stoelen en zij laten mij voor een grote kaart staan met allerlei sterren erop en wiskundige driehoeken, getrokken van de ene ster naar de andere ster, heel raar. Iedere lijn heeft een kleur maar dat is moeilijk te onderscheiden. Ik vraag in gedachten waar wij zijn, telepathisch krijgen zij het door want een lichtje op de kaart gaat branden en ik vraag: “Waar is mijn huis?” en een ander lichtje gaat branden en dat stipje moet dus de aarde zijn. Nogmaals vraag ik hun namen, maar ik krijg het niet door, het is te moeilijk om het te ‘horen’. Op de vraag of ik hun aardse vader ben wordt er zowel door het meisje als het jongetje in mijn hand geknepen. Ik vraag hen waar hun thuisbasis is en er gaat op een andere kaart een lichtje branden. Op mijn vraag of dat ver van de aarde is, krijg ik telepathisch als antwoord dat beide planeten voor aardse begrippen miljoenen lichtjaren uit elkaar liggen en dat voor ons het reizen daar naartoe onmogelijk is voor de eerstkomende tweehonderd jaar. “Waarom reizen jullie dan?” vraag ik, maar het meisje antwoordt dat zij dat ook niet precies weten en dat de groten de beslissingen nemen.

Voor mijn gevoel duurt het niet lang of er komen enkele wezens binnen die de kinderen meenemen en ik krijg telepathisch door dat het mijn tijd is om weer te vertrekken. Ik voel me heel emotioneel worden bij het loslaten van de twee kinderen. Er wordt geen antwoord gegeven op mijn vraag of ik hen ooit terug zal zien. Ook krijg ik geen antwoord op de vraag hoe ze heten. (Dat doet mij nu nog pijn, dat ik niet weet wat hun namen zijn.)

Ik dacht dat ik gelijk terug werd gebracht maar ik merk opeens dat ik me in een ander vertrek bevindt met allemaal zilverachtige tegels. Ik voel mij opeens heel duizelig en heb het gevoel dat ik flauw ga vallen. Ik knipper met mijn ogen en zucht diep en voor mijn gevoel slaap ik daar. Hoe ik terug ben gekomen weet ik niet, ik weet alleen dat ik voor mijn gevoel uit een zeer diepe slaap wakker word. Als ik wakker ben heb ik een enorme pijn in mijn linker testikel, die enorm brandt en ik heb het heel erg koud. Ook de volgende dag doet het nog erge pijn en begint het enorm op te zwellen. De pijn blijft enkele dagen aanhouden en mijn urine lijkt wel kippensoep, zo dik en stroperig. Het lijkt alsof mijn testikels in brand staan en mijn balzak voelt hard als beton en één testikel is zo groot als een ganzenei. Een dag daarna voel ik geen pijn meer en als ik aan mijn balzak voel is die was gewoon zacht, maar de testikel… die is weg? Waar die is gebleven weet ik niet, misschien gewoon opgelost.

Voor mijn gevoel waren deze laatste zeven jaar het zwaarst en ik had dikwijls de behoefte om het leven te laten voor wat het was. Ik kreeg een baan bij een sport mediabedrijf in *******, wat op zich heel leuk werk was. Maar dat reizen iedere keer en het alleen laten van mijn moeder vond ik zwaar. Iedere ochtend als ik met de fiets naar het station vertrok kon ik wel janken en had ik een schuldgevoel. Bij haar voelde ik me beschermd en ik voelde haar einde nabij komen. Plots leek alles in een stroomversnelling te komen. Mijn liesklachten, waaraan ik een paar jaar eerder voor de vierde maal was geholpen, kwamen terug.

Terug kijkend op de ervaringen weet ik niet wat ik daarvan zou moeten zeggen. Ik weet alleen dat ik het liever allemaal niet had meegemaakt. Mijn hele leven leef ik al in een soort angst voor alles en iedereen en ik vraag mij nog steeds af waarom ík en niet één van mijn broers of zussen. Ook kan ik geen antwoord geven op de vraag of ik nu echt gelukkig ben met mijn leven of niet. Ik heb al die tijd het gevoel dat ik door iets in de steek ben gelaten na die ervaringen. Aan de ene kant beschouw ik die ervaringen als mooi, maar aan de andere kant ook als heel beangstigend, als iets wat ik nooit meer mee wil maken. Ik zou het graag willen vergeten maar dat kan niet. Ik heb het een plaats in mijn leven gegeven en ik kan nu de rust vinden die ik heel graag hebben wil.

Mijn verhaal is nog niet echt af, er zitten nog wat punten in die ik zou kunnen opschrijven en misschien doe ik dat ooit nog eens.

John


Nawoord
John heeft inmiddels een goed contact met Anneke, die ook graag haar relaas op ufowijzer zag (wat er inmiddels sinds mei/juni van dit jaar te lezen is). Anneke wil graag mensen met dezelfde ervaringen ontmoeten om elkaar zodoende te kunnen steunen. Anneke heeft onlangs als reactie op haar relaas een interview gehad met het magazine ‘Vriendin’ en wie weet reageren ook daarop enkele mensen.

De buitenwereld mag het allemaal een vreemd gedoe vinden, maar als mensen met dergelijke ervaringen voorlopig steun bij elkaar kunnen vinden en daardoor weer wat plezier in het leven krijgen, dan is dat mooi meegenomen. De reguliere geneeskunde stuurt dergelijke mensen met een kluitje in het riet en verwijst ze door naar een psychiater die ook niet weet wat hij ermee aanmoet omdat dergelijke ervaringen niet in zijn opleidingspakket zaten. De paar therapeuten met verstand van het fenomeen die we hadden in Nederland, zijn door alle verdachtmakingen, afkomstig van de zich echte medici noemende bobo’s, gedesillusioneerd van het toneel verdwenen of naar het buitenland vertrokken. Eén en ander is mede te danken aan Marcel Hulspas, die zich als sterrenkundige en stichting Skepsis-aanhanger ook in staat acht om er een psychologisch inzicht op na te houden dat ver uitstijgt boven dat van wijlen Harvard professor John Mack.

Wellicht dat er in de toekomst wetenschappelijke interesse komt voor het fenomeen, tot die tijd zullen de slachtoffers zich met elkaar moeten zien te redden, opboksend tegen de meute met de koppen in het zand die hen bij voorbaat als fantasten ziet.

TERUG NAAR ARTIKEL