TERUG NAAR ARTIKEL

COMMISSIE RAPPORT ÉÉN GROTE LEUGEN

Door: dr. David Ray Griffin

zondag 22 mei 2005

Bron: http://vpro.react.nl/programma/tegenlicht/forum/view_message/12449

In discussies over mijn tweede boek "The 9/11 Commission Report: Omissions and Distortions" zei ik vaak, maar half schertsend, dat een betere titel zou zijn "één 571-paginalange leugen". Eén van mijn stellingen is dat het hele rapport is geconstrueerd ter ondersteuning van één grote leugen, nl.: dat het officiële verhaal over 11 september waar is. Een ander punt is echter dat bij het vertellen van deze overkoepelende leugen, het 9/11-Commissierapport vele leugens verkoopt over allerlei specifieke zaken. Dit is verwoord in de ondertitel van deze kritiek: "Omissies en vertekeningen". Men kan niettemin vinden, dat van beide problemen alleen de vertekeningen als leugens te beschouwen zijn.

Het is echter goed om beide termen te zien als verwijzing naar twee soorten leugens: impliciete en expliciete. We hebben een expliciete leugen als het Rapport beweert dat de kern van de Twin Towers bestond uit een holle stalen schacht of wanneer het beweert dat vice-president Cheney geen bevel tot neerschieten had gegeven tot na 10.10 u. die ochtend. Maar we hebben een impliciete leugen wanneer de Commissie, in haar bespreking van de 19 vermeende zelfmoordkapers, het feit weglaat dat tenminste zes van hen volgens betrouwbare bronnen nog steeds in leven zijn, of wanneer het niet vermeldt dat Gebouw 7 van het World Trade Center instortte. Zulke omissies zijn impliciete leugens omdat ze aantonen dat de Commissie haar verklaarde bedoeling niet nakomt om "een zo volledig mogelijk verslag van de gebeurtenissen omtrent 11-9 te geven". Het zijn ook leugens voorzover de Commissie kon vermijden om een expliciete leugen te vertellen over het onderwerp in kwestie, slechts door het niet te noemen. Dit was volgens mij zo in de meeste gevallen.

Gegeven deze twee soorten, kan men zich afvragen hoeveel leugens het 9/11-Commissierapport bevat. Dat weet ik niet. Toen ik keek hoeveel er in mijn boek besproken worden, zag ik dat ik er meer dan honderd had aangewezen. Toen ik eenmaal deze lijst had gemaakt, bedacht ik dat die ook anderen van nut zou kunnen zijn. Vandaar dit artikel.

Een waarschuwing: hoewel het in sommige gevallen zonneklaar is dat de Commissie gelogen heeft, in andere gevallen zou ik zeggen (die ik in mijn boek verduidelijk), heeft het er sterk de schijn van dat de Commissie gelogen heeft. Maar in het belang van het hebben van een beknopt overzicht van de beweringen die ik als leugens opvat, zal ik het onderscheid tussen klaarblijkelijke en waarschijnlijke leugens achterwege laten. Ik laat het aan de lezer om ze desgewenst op te zoeken in The 9/11 Commission Report: Omissions and Distortions. Voor het gemak heb ik de betreffende paginanummers in dit boek tussen haakjes vermeld.

Na deze verheldering, zal ik nu de lijst van omissies en beweringen in het 9/11-Commissierapport geven die ik, in mijn bespreking van dat rapport, als leugens heb betiteld:

1. Het weglaten van bewijzen dat tenminste zes van de vermeende kapers - inclusief Waleed al-Shehri, die volgens de Commissie waarschijnlijk een stewardess op vlucht 11 neergestoken zou hebben voordat het in de noordelijke World Trade Center-toren crashte - nog steeds in leven zijn (19-20).

2. Het weglaten van bewijsmateriaal over Mohammed Atta - zoals zijn voorliefde voor alcohol, varkensvlees en "lap dances" - dat op gespannen voet staat met de bewering van de Commissie dat hij een religieuze fanaticus was geworden (20-21).

3. De vertroebeling van het bewijs dat Hani Hanjour een te slechte piloot was om een verkeersvliegtuig in het Pentagon te vliegen (21-22).

4. Het weglaten van het feit dat de in de openbaarheid gebrachte passagierslijsten geen Arabische namen bevatten (23).

5. Het weglaten van het feit dat brand nooit, voor of na 11-9, een gebouw met staalskelet heeft doen instorten (25).

6. Het weglaten van het feit dat de branden in de Twin Towers niet heel groot, heel heet, of erg lang duurden in vergelijking met branden in verschillende andere staalskelet-gebouwen die niet instortten (25-26).

7. Het weglaten van het feit dat, gegeven de hypothese dat de instortingen door brand werden veroorzaakt, de zuidelijke toren die later werd getroffen dan de noordelijke toren en tevens kleinere branden had, niet als eerste zou horen in te storten (26).

8. Het weglaten van het feit dat WTC-gebouw 7 (dat niet door een vliegtuig was getroffen en slechts kleine locale branden had) ook instortte, een gebeurtenis die FEMA (Federal Emergency Management Agency) toegaf niet te kunnen verklaren.

9. Het weglaten van het feit dat de instortingen van de Twin Towers (net als Gebouw 7) tenminste 10 kenmerken vertoonden die overeenkomen met een gecontroleerde vernietiging met explosieven.

10. De bewering dat de kern van beide Twin Towers een "holle stalen schacht" is - een bewering die het bestaan ontkent van 47 massief stalen pijlers die in werkelijkheid de kern van de torens vormden en die, gegeven de "pannenkoektheorie" van de instortingen, vele tientallen meters in de lucht hadden moeten blijven uitsteken (27-28).

11. De weglating van Larry Silversteins verklaring dat hij en de brandweercommandant besloten hadden om Gebouw 7 "neer te halen" (28).

12. De weglating van het feit dat het staal van de WTC-torens snel van de plaats van het misdrijf werd verwijderd, en overzees verscheept werd voordat het geanalyseerd kon worden op bewijs van explosieven (30).

13. De weglating van het feit dat, aangezien Gebouw 7 geëvacueerd was voordat het instortte, de officieel opgegeven reden voor de snelle verwijdering van het staal - dat er nog mensen levend in het puin onder het staal konden zijn - onlogisch was (30).

14. Het weglaten van burgemeester Giuliani's verklaring dat hij ingelicht was dat het World Trade Center zou gaan instorten (30-31).

15. De weglating van het feit dat president Bush' broer Marvin en zijn neef Wirt Walker III beide in de directie zaten van de beveiligingsfirma van het WTC (31-32).

16. De weglating van het feit dat de westvleugel van het Pentagon het minst waarschijnlijkste doelwit van al-Qaida-terroristen in dat gebouw zou zijn, om meerdere redenen (33-34).

17. De afwezigheid van iedere overweging of de schade aan het Pentagon in overeenstemming is met de inslag van een Boeing 757 met een snelheid van honderden mijlen per uur (34).

18. De weglating van het feit dat er foto's zijn die laten zien dat de gevel van de westvleugel niet eerder instortte dan 30 minuten na de inslag en ook dat het gat te klein lijkt voor de binnenkomst van een Boeing 757 (34).

19. Het achterwege laten van alle getuigenverklaringen waarin getwijfeld werd of restanten van een Boeing 757 te zien waren, binnen danwel buiten het Pentagon (34-36).

20. Het achterwege laten van iedere discussie of het Pentagon een raketafweersysteem heeft dat een commercieel lijnvliegtuig neergehaald zou hebben - ofschoon de Commissie zelf suggereerde dat de al-Qaida-terroristen niet een kerncentrale zouden aanvallen omdat ze aannamen dat die met een dergelijk systeem beveiligd zouden zijn (36).

21. De weglating van het feit dat beelden van verschillende bewakingscamera's - inclusief de camera in het tankstation tegenover het Pentagon, waarvan de filmbeelden geconfisqueerd werden door de FBI onmiddellijk na de klap - de vraag zouden kunnen beantwoorden wat het Pentagon werkelijk trof (37-38).

22. Het achterwege laten van defensieminister Rumsfelds opmerking over "the missile [used] to damage [the Pentagon]" (39).

23. De kennelijke bevestiging van een geheel onbevredigend antwoord op de vraag waarom agenten van de Geheime Dienst toestonden dat president Bush in de school in Sarasota kon blijven op een moment dat, volgens het officiële verhaal, zij hadden moeten veronderstellen dat een gekaapt vliegtuig op de school zou kunnen neerstorten (41-44).

24. Het niet onderzoeken van de reden waarom de Geheime Dienst geen gevechtsvliegtuigen ontbood om luchtdekking te bieden aan Air Force One (43-46).

25. De beweringen dat op het moment dat de presidentiële groep bij de school arriveerde, niemand in de groep wist dat meerdere vliegtuigen waren gekaapt (47-48).

26. De weglating van het bericht dat minister van Justitie Ashcroft was gewaarschuwd voor het reizen met commerciële lijnvluchten vóór 11-9 (50).

27. De omissie van David Schippers' bewering dat hij, op basis van door FBI-agenten gegeven informatie over op handen zijnde aanvallen in Manhattan, vergeefs poging had gedaan deze informatie aan minister van Justitie Ashcroft door te geven gedurende zes weken vóór 11-9 (51).

28. Het achterwege laten van enige vermelding van de FBI-agenten die zeiden ruim van te voren de doelen en data van de aanvallen te hebben geweten (51-52).

29. De stelling, door middel van een cirkelredenering, dat de ongebruikelijke handel in put-opties voorafgaand aan 11-9 geen voorkennis van de aanvallen impliceerde van de zijde van de kopers (52-57).

30. Het niet vermelden van berichten dat zowel burgemeester Willie Brown als sommige Pentagonmedewerkers waarschuwingen ontvingen niet te vliegen op 11-9 (57).

31. Het niet noemen van het bericht dat Osama bin Laden, die toen reeds Amerika's meest gezochte misdadiger was, in juli 2001 door een Amerikaanse dokter behandeld was in het Amerikaanse ziekenhuis in Dubai en bezoek had gehad van de lokale CIA-agent (59).

32. De weglating van nieuwsberichten die suggereren dat het Amerikaanse leger in Afghanistan na 11-9 Osama bin Laden opzettelijk liet ontsnappen (60).

33. Het weglaten van berichten, inclusief die van een bezoek aan Osama bin Laden van het hoofd van de Saoedische inlichtingendienst in het ziekenhuis van Dubai, die op gespannen voet staan met de officiële kenschetsing van Osama als zwart schaap van de familie en zijn land (60-61).

34. De omissie van Gerald Posners verslag van Abu Zubaydah's getuigenis, volgens wie drie leden van de Saoedische koninklijke familie - die later allemaal op geheimzinnige wijze binnen acht dagen stierven - al-Qaida financierden en voorkennis hadden van de aanvallen van 11-9 (61-65).

35. De ontkenning van de Commissie dat het enig bewijs vond van Saoedische financiering van al-Qaida (65-68).

36. In het bijzonder de ontkenning van de Commissie dat het bewijs had gevonden dat geld van prins Bandars vrouw prinses Haifa, naar leden van al-Qaida ging (69-70).

37. De ontkenning, door gewoon geen onderscheid te maken tussen privé- en commerciële vluchten, dat de privé-vlucht met Saoedi's van Tampa naar Lexington op 13 september de toen geldende regels voor het Amerikaanse luchtruim schond (71-76).

38. De ontkenning dat werd toegestaan dat Saoedi's de Verenigde Staten verlieten kort na 11-9 zonder afdoende onderzocht te zijn (76-82).

39. Het weglaten van bewijs dat prins Bandar speciale toestemming van het Witte Huis kreeg voor de Saoedische vluchten (82-86).

40. De omissie van Coleen Rowley's bewering dat sommige functionarissen in het hoofdbureau van de FBI het memo van agent Kenneth Williams uit Phoenix hadden gezien (89-90).

41. Het achterwege laten van de klacht van FBI-agent Robert Wright uit Chicago dat het FBI-hoofdbureau zijn onderzoek naar een terroristische cel afkapte, en hem intimideerde om te voorkomen dat hij een boek zou schrijven over zijn ervaringen (91).

42. Het niet noemen van bewijs dat het FBI-hoofdbureau de poging van Coleen Rowley en andere agenten uit Minneapolis saboteerden om een bevel tot doorzoeking van Zacarias Moussaoui's computer te verkrijgen (91-94).

43. Het weglaten van de 3,5 uur durende getuigenverklaring voor de Commissie van voormalig FBI-vertaalster Sibel Edmonds - die, volgens haar later gepubliceerde brief aan voorzitter Kean, onthullingen bevatte van 11-9 gerelateerde verduisteringen door functionarissen van het hoofdbureau van de FBI (94-101).

44. De omissie van het feit dat generaal Mahmoud Ahmad, het hoofd van de Pakistaanse inlichtingendienst ISI, in de week voor 11-9 in Washington was en ontmoetingen had met CIA-chef George Tenet en andere Amerikaanse functionarissen (103-104).

45. De weglating van bewijs dat ISI-hoofd Ahmad de opdracht had gegeven om $100.000 aan Mohammed Atta over te maken voorafgaand aan 11-9 (104-107).

46. De bewering van de Commissie dat het geen bewijs had gevonden dat een buitenlandse regering, inclusief Pakistan, geld had verstrekt aan leden van al-Qaida (106).

47. Het niet noemen van een bericht dat de regering Bush Pakistan onder druk had gezet om Ahmad te ontslaan als ISI-hoofd, nadat het verhaal bekend was geworden dat hij geld van de ISI aan Atta had gestuurd (107-109).

48. Het weglaten van bewijs dat de ISI (en niet alleen al-Qaida) achter de moord op Ahmad Shah Masood zat (de leider van Afghanistans Noordelijke Alliantie), hetgeen plaatsvond vlak na de één week durende ontmoeting tussen de CIA en ISI (110-112).

49. Het weglaten van bewijs dat de ISI betrokken was bij de ontvoering en moord op Wall Street-journalist Daniel Pearl (113).

50. Het weglaten van Gerald Posners bericht dat Abu Zubaydah beweerde dat een Pakistaanse militaire officier, Mushaf Ali Mir, nauw gelieerd was aan zowel de ISI als aan al-Qaida en voorkennis had van de aanvallen van 11-9 (114).

51. De omissie van ISI-agent Rajaa Gulum Abbas' voorspelling dat de Twin Towers "omlaag zouden komen" (114).

52. De omissie van het feit dat president Bush en andere leden van de regering herhaaldelijk spraken over de 11-9-aanvallen als "kansen" (116-117).

53. Het niet noemen van het Project for the New American Century, waarvan veel leden nu sleutelposities in het Witte Huis bekleden, dat in 2000 een document publiceerde waarin staat dat een "nieuw Pearl Harbor" het doel zou dienen om fondsen te krijgen voor een snelle technologische verandering van het Amerikaanse leger (117-118).

54. De omissie van het feit dat Donald Rumsfeld, die als hoofd van de commissie voor het Amerikaanse Ruimtecommando had geadviseerd de financiering ervoor te verhogen, de aanvallen van 11-9 dezelfde avond nog gebruikte om die financiering veilig te stellen (119-122).

55. Het verzuim om te vermelden dat drie van de leidinggevenden die faalden in het voorkomen van de aanvallen van 11-9 - minister Rumsfeld, generaal Richard Myers en generaal Ralph Eberhart - tevens de sterkste pleitbezorgers van het US Space Command waren (122).

56. De omissie van het feit dat Unocal had verklaard dat de Taliban niet voldoende beveiliging kon garanderen om de olie- en gaspijpleiding van de Kaspische regio naar Afghanistan en Pakistan doorgang te laten vinden (122-125).

57. De omissie van het bericht dat in een bijeenkomst in juli 2001, vertegenwoordigers van de VS zeiden dat omdat de Taliban weigerden met een Amerikaans voorstel in te stemmen dat het pijpleidingproject zou laten doorgaan, een oorlog tegen hen in oktober zou beginnen (125-126).

58. Het verzwijgen van het feit dat Zbigniew Brzezinski in zijn boek uit 1997 schreef dat het noodzakelijk is voor de Verenigde Staten wil het zijn mondiale overwicht handhaven, om greep te krijgen op Centraal-Azië met zijn enorme oliereserves, en dat een nieuw Pearl Harbor behulpzaam zou zijn om publieke steun te krijgen voor zo'n machtsgreep (127-128).

59. Het weglaten van bewijs dat enkele sleutelfiguren in de regering Bush, inclusief Donald Rumsfeld en zijn plaatsvervanger Paul Wolfowitz, al vele jaren actie voerden voor een oorlog tegen Irak (129-133).

60. Het weglaten van notities van Rumsfelds gesprekken op 11-9 die laten zien dat hij vastbesloten was om de aanvallen als voorwendsel voor een oorlog met Irak te gebruiken (131-132).

61. Het niet vermelden van de stelling van het Project for the New American Century dat "de noodzaak voor een aanzienlijke Amerikaanse machtsbasis in de Golf de kwestie van het regime van Saddam Hussein overstijgt" (133-134).

62. De bewering dat FAA (Federal Aviation Authority)-protocol op 11-9 het tijdrovende proces voorschreef om meerdere niveau's in de commandostructuur te doorlopen - terwijl het rapport bewijs van het tegendeel citeert (158).

63. De bewering dat er in die dagen maar twee luchtmachtbases in NORAD's (North American Aerospace Defense Command) noord-oostelijke sector waren die straaljagers paraat hadden en, in het bijzonder, er geen jagers paraat waren in zowel luchtmachtbasis McGuire en Andrews (159-162).

64. Het weglaten van bewijs dat luchtmachtbasis Andrews wél te allen tijde meerdere straaljagers paraat heeft (162-164).

65. Het accepteren van de tweeledige stelling dat kolonel Marr van NEADS (Northeast Air Defense Sector) een superieur moest bellen om toestemming te krijgen voor het laten opstijgen van straaljagers van de basis Otis en dat voor dit gesprek acht minuten nodig waren (165-166).

66. Het onderschrijven van de stelling dat het kwijtraken van het transpondersignaal van een vliegtuig het haast onmogelijk maakt voor de Amerikaanse militaire radar het toestel te volgen (166-167).

67. De bewering dat de onderschepping van Payne Stewart niet betekende dat NORAD's reactie op vlucht 11 buitengewoon traag was.

68. De bewering dat gevechtsvliegtuigen van basis Otis niet de lucht ingingen tot zeven minuten nadat ze het bevel tot opstijgen kregen omdat ze niet wisten waar heen te gaan (174-175).

69. De bewering dat het Amerikaanse leger niet van de kaping van vlucht 175 wist tot 9.03 u., toen die in de Zuidelijke Toren crashte (181-182).

70. Het schuldig blijven van een uitleg over (a) waarom NORAD's eerdere bericht, volgens welke de FAA het leger op de hoogte had gebracht van de kaping van vlucht 175 om 8.43 u., nu als foutief wordt beschouwd en (b) hoe dit bericht, als het niet klopt, gepubliceerd kon worden en bijna drie jaar lang onweersproken kon blijven (182).

71. De bewering dat de FAA voor 9.20 u. die morgen geen teleconferentiegesprek had opgezet (183).

72. Het weglaten van het feit dat een memo van Laura Brown van de FAA vermeldt dat een teleconferentiegesprek was begonnen om ongeveer 8.50 u. en dat de kaping van vlucht 175 daarin aan de orde kwam (183-84, 186).

73. De bewering dat de teleconferentie van de NMCC (National Military Command Center) niet begon voor 9.29 u. (186-188).

74. De omissie, in de bewering van de Commissie dat vlucht 77 niet van zijn koers was afgeweken tot 8.54 u., van het feit dat eerdere berichten 8.46 u. vermeldden (189-190).

75. Het niet vermelden dat het bericht dat een groot toestel in Kentucky gecrasht was, om ongeveer dezelfde tijd dat vlucht 77 van de FAA-radar verdween, door de hoofden van de FAA en FBI's antiterrorisme-eenheid ernstig genoeg werd geacht om aan het Witte Huis door te geven (190).

76. De bewering dat vlucht 77 bijna 40 minuten door het Amerikaanse luchtruim richting Washington vloog zonder door de militaire radar te zijn opgemerkt (191-192).

77. Het niet verklaren, als NORAD's eerdere bericht dat het was ingelicht over vlucht 77 om 9.24 u. "incorrect" was, hoe dit foute bericht had kunnen ontstaan, dus of NORAD-functionarissen hadden gelogen of drie jaar lang gewoon in de war waren (192-193).

78. De stelling dat de straaljagers van Langley, waarvan NORAD eerder had gezegd dat ze waren opgestegen om vlucht 77 te onderscheppen, in werkelijkheid reageerden op een foutief bericht om 9.21 u. van een (onbekende) FAA-verkeersleider dat vlucht 11 nog in de lucht was en richting Washington ging (193-199).

79. De bewering dat het leger niet van de FAA hoorde van de waarschijnlijke kaping van vlucht 77 voordat het Pentagon was getroffen (204-212).

80. De bewering dat Jane Garvey niet aan Richard Clarke's videoconferentie deelnam tot 9.40 u., nadat het Pentagon was getroffen (210).

81. De bewering dat geen van de teleconferentiegesprekken slaagden in het coördineren van de reacties van de FAA en het leger op de kapingen omdat "aan geen ervan de juiste functionarissen van zowel de FAA als het Ministerie van Defensie deelnamen" - ofschoon Richard Clarke zei dat bij zijn videoconferentie zowel FAA-hoofd Jane Garvey als minister van Defensie Rumsfeld en generaal Richard Myers, de dienstdoende voorzitter van de chefs van staven, aanwezig waren (211).

82. De bewering van de Commissie dat het niet wist wie van het Ministerie van Defensie deelnam aan Clarke's videoconferentie - hoewel Clarke's boek vermeldt dat het Donald Rumsfeld en generaal Myers waren (211-212).

83. De bevestiging van generaal Myers' uitspraak dat hij in het Capitool was tijdens de aanvallen, zonder Richard Clarke's tegenstrijdige bewering te vermelden, dat Myers in het Pentagon aan zijn videoconferentie deelnam (213-217).

84. Het nalaten de tegenstrijdigheid te vermelden tussen Clarke's verslag van Rumsfelds verblijfplaatsen die morgen en Rumsfelds eigen verslag (217-219).

85. Het weglaten van de getuigenverklaring van minister van Transport Norman Mineta, voor de Commissie zelf, dat vice-president Cheney en anderen in de ondergrondse schuilplaats om 9.26 u. wisten dat een vliegtuig het Pentagon naderde (220).

86. De bewering dat Pentagon-functionarissen niet wisten dat een vliegtuig het Pentagon naderde tot 9.32, 9.34 of 9.36 u. - in ieder geval slechts een paar minuten voor het gebouw werd geraakt (223).

87. De bevestiging van twee tegenstrijdige verhalen over een vliegtuig dat het Pentagon trof - een waarin het een 330-graden neerwaartse spiraal maakte (een "hoge-snelheidsduik") en een andere waarin geen melding is van deze manoeuvre (222-223).

88. De bewering dat de straaljagers afkomstig van Langley, die naar men zegt waren opgestegen om Washington te beschermen tegen "spookvlucht 11", niet bij Washington in de buurt waren omdat ze per ongeluk richting zee waren gestuurd (223-224).

89. Het weglaten van alle bewijsmateriaal dat erop wijst dat het vliegtuig dat het Pentagon trof, niet vlucht 77 was (224-225).

90. De bewering dat het leger niet door de FAA was ingelicht over de kaping van vlucht 93 tot na het moment van de crash (227-229, 232, 253).

91. De tweeledige bewering dat de NMCC niet meeluisterde met de teleconferentie die door de FAA was opgezet, en dat ze vervolgens de FAA niet kon laten meeluisteren met de teleconferentie die de NMCC begon (230-231).

92. De omissie van het feit dat de Geheime Dienst in staat is alles te weten wat de FAA weet (233).

93. Het achterwege laten van enige navraag waarom de NMCC zijn eigen teleconferentiegesprek begon, waar Laura Brown van de FAA had gezegd dat dit geen standaard werkwijze is (234).

94. Het achterwege laten van enig onderzoek waarom generaal Montague Winfield niet alleen een groentje (kapitein Leidig) zijn werk als hoofd Operaties van de NMCC liet doen, maar hem ook verantwoordelijk liet toen duidelijk was dat het Pentagon een crisis zonder precedent beleefde (235-236).

95. De bewering dat de FAA de Geheime Dienst (verkeerd) inlichtte tussen 10.10 en 10.15 u. dat vlucht 93 nog in de lucht was en richting Washington ging (237).

96. De bewering dat vice-president Cheney geen authorisatie voor het neerschieten tot na 10.10 u. (verscheidene minuten na de crash van vlucht 93) had gegeven en dat deze authorisatie niet aan het Amerikaanse leger was doorgegeven voor 10.31 u. (237-241).

97. Het weglaten van alle bewijs dat aantoont dat vlucht 93 door een militair vliegtuig is neergeschoten (238-239, 252-253).

98. De bewering dat Richard Clarke zijn gevraagde authorisatie tot neerschieten niet voor 10.25 u. ontving (240).

99. Het weglaten van Clarke's eigen getuigenis, die erop wijst dat hij de authorisatie tot neerschieten kreeg om 9.50 u. (240).

100. De bewering dat Cheney de ondergrondse schuilplaats (het PEOC, "Presidential Emergency Operations Center") niet voor 9.58 u. bereikte (241-44).

101. Het weglaten van meerdere getuigenissen, inclusief die van Norman Mineta voor de Commissie zelf, dat Cheney voor 9.20 u. in het PEOC was. (241-244).

102. De bewering dat authorisatie tot neerschieten alleen van de president kan komen (245).

103. Het weglaten van berichten dat kolonel Marr het neerschieten van vlucht 93 had bevolen, en dat generaal Winfield kenbaar maakte dat hij en anderen van het NMCC verwachtten dat een straaljager bij vlucht 93 zou arriveren (252).

104. Het weglaten van berichten dat twee straaljagers dicht bij het luchtruim van New York waren en dat er drie slechts 200 mijl van Washington verwijderd waren (251).

105. Het weglaten van bewijs dat er tenminste zes luchtmachtbases met parate straaljagers waren in het noordoostelijk deel van de Verenigde Staten (257-258).

106. De bevestiging van generaal Myers' bewering dat NORAD zijn missie had gedefinieerd als de verdediging tegen alleen maar bedreigingen vanuit het buitenland (258-262).

107. De bevestiging van generaal Myers' bewering dat NORAD de mogelijkheid dat terroristen gekaapte vliegtuigen als projectielen konden gebruiken, niet had onderkend (262-263).

108. Het verzuim om de betekenis van het in het rapport zelf aanwezige bewijs te doen uitkomen, en ander bewijs te vermelden, dat NORAD wel degelijk de dreiging van gekaapte vliegtuigen als projectielen had onderkend (264-267).

109. Het verzuim om aan de orde te stellen hoe de oorlogsimulatieoefeningen van die dag verband hielden met het falen van de luchtmacht om de gekaapte vliegtuigen te onderscheppen (268-269).

110. Het verzuim om de mogelijke relevantie te bespreken van Operatie Northwoods voor de aanvallen van 11-9 (269-271).

111. De bewering - gedaan in de verklaring waarom het leger niet op tijd over informatie van de kapingen beschikte om ze te onderscheppen - dat FAA-personeel op onverklaarbare wijze maar liefst 16 keer verzuimde om de standaardprocedures te volgen (155-156, 157, 179, 180, 181, 190, 191, 193, 194, 200, 202-203, 227, 237, 272-275).

112. Het verzuim om te vertellen dat de Commissie's vermeende "onafhankelijkheid" fataal ondermijnd was doordat haar directeur, Philip Zelikow, feitelijk bijna een lid van de regering Bush was (7-9, 11-12, 282-84).

113. Het niet vermelden dat het Witte Huis aanvankelijk de instelling van een 9/11-Commissie wilde verhinderen, vervolgens vele obstakels op haar weg plaatste, inclusief een zeer magere financiering (283-285).

114. Het verzuim om te vermelden dat de voorzitter van de Commissie, de meeste andere leden, en tenminste de helft van de staf ernstige belangenconflicten hadden (285-290, 292-295).

115. Het verzuim van de Commissie, opscheppend dat het haar eindrapport "zonder verschillen van mening" presenteerde, om te vermelden dat dit waarschijnlijk alleen mogelijk was doordat Max Cleland, het commissielid dat het meest kritisch was op het Witte Huis en bezwoer dat hij "voor geen enkele informatie de ogen zou sluiten", gedwongen was af te treden om een functie in de Export-Import Bank te aanvaarden, en dat het Witte Huis de nominatie voor die functie pas naar voren schoof toen hij zijn kritiek niet onder stoelen of banken stak (290-291).

Tenslotte concludeerde ik na mijn studie van wat ik het Kean-Zelikowrapport ben gaan noemen, dat het mijn verdenking van regeringsmedeplichtigheid verre van verminderde, maar integendeel hielp te bevestigen. Waarom zouden de geesten belast met dit eindrapport aan dergelijke misleiding doen als ze niet poogden zeer zware misdaden te verbergen? (291).

TERUG NAAR ARTIKEL